Conclusie
BV heeft eind 2008/begin 2009 haar bedrijfswagens overgedragen aan [betrokkene 7] , een grote klant van [A] BV, dan wel aan [verweerster 1] .
Op 17 maart 2009 is [A] BV door de rechtbank Den Haag op eigen aangifte failliet verklaard. Het faillissement is op 11 augustus 2011 opgeheven wegens gebrek aan baten. [eiser 1] en [eiser 2] hebben hun vorderingen niet ingediend bij de curator.
(1) de omvang van de werkzaamheden van [A] BV ten tijde van de aangifte tot faillietverklaring en
(2) de vooruitzichten ten aanzien van het verwerven van opdrachten en de ‘overheveling’ van werkzaamheden die normaliter bij [A] BV terecht zouden zijn gekomen naar andere ondernemingen.
Hetzelfde geldt voor het betoog dat in rov. 5.16 door het hof wederom een ander criterium wordt aangelegd. In rov. 5.11 tot en met rov. 5.16 bespreekt het hof het tweede bewijsthema, of er ten tijde van aanvraag van het faillissement nog sprake was van voldoende perspectief en (in feite een derde thema) of er sprake is geweest van de overheveling van werkzaamheden. Volgens het hof hebben [eiser 2] en [eiser 1] ook dit niet kunnen bewijzen. Eén van de elementen voor dat oordeel is dat het hof [eiser 2] en [eiser 1] niet volgt in hun stellingname dat [A] BV had kunnen overleven indien zij het aantal zzp’ers had gereduceerd (zie hun betoog bij grief 17). Ook dit is niet een ander criterium, maar een element van de concrete invulling van het tweede bewijsthema.
Hiermee faalt het eerste onderdeel.
“ [eiser 1] c.s. bieden aanvullend bewijs aan van hun stellingen door het horen van de in hun akte overlegging producties van 28 januari 2015 genoemde getuigen:
- i) [betrokkene 1] , die kan verklaren dat [A] BV tot eind februari 2009 ook werkzaamheden verrichte voor het werk Visgilde;
- ii) [betrokkene 2] , die kan verklaren dat [verweerder 3] , onder naam van [betrokkene 8] , in april 2009 op het werk Nootdorp heeft gewerkt en in januari 2010 op het werk Marakesh heeft gewerkt;
- iii) [betrokkene 3] , die kan verklaren dat [verweerder 3] in september/oktober 2009 meerdere malen op het werk Kwekkeboom heeft gewerkt; en
- iv) [betrokkene 4] , die kan verklaren dat [verweerder 3] , onder naam van [betrokkene 8] , in november 2009 op het werk Waldeck Pyrmontlaan heeft gewerkt en onder naam van [verweerster 1] in december 2010 op het werk Waldeck Pyrmontlaan heeft gewerkt;
- v) [betrokkene 5] , die kan verklaren dat [verweerder 3] , onder naam van [betrokkene 8] en [betrokkene 7] , in april 2010 op het werk Katwijk heeft gewerkt; en
- vi) [betrokkene 6] , die kan verklaren dat [verweerder 3] , onder naam van [verweerder 3] en [betrokkene 7] , op het werk Vleuten heeft gewerkt.”
Hiermee faalt het onderdeel.