ECLI:NL:PHR:2016:1080

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 oktober 2016
Publicatiedatum
4 november 2016
Zaaknummer
16/04401
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 407 lid 3 RvArt. 123 lid 1 RvArt. 418a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken advocaat bij Hoge Raad

In een geschil tussen een verhuurder en huurster over ontbinding van huurovereenkomsten en ontruiming heeft de kantonrechter grotendeels de vorderingen van de verhuurder toegewezen en de vorderingen van de huurster afgewezen. De huurster stelde hoger beroep in, maar het gerechtshof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter.

Vervolgens heeft de huurster cassatie ingesteld, maar in strijd met artikel 407 lid 3 Rv Pro nagelaten een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen in de dagvaarding. Dit verzuim werd haar schriftelijk verzocht te herstellen binnen een gestelde termijn, maar zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.

De Hoge Raad overweegt dat dit verzuim leidt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep, overeenkomstig de analogie met artikel 123 Rv Pro in verzoekschriftzaken. Omdat de gedaagde in cassatie niet is verschenen, is ontslag van instantie minder passend en wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Deze beslissing benadrukt het belang van de formele vereisten in cassatieprocedures en de strikte toepassing van artikel 407 lid 3 Rv Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de huurster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een advocaat bij de Hoge Raad in de dagvaarding en het niet herstellen van dit verzuim.

Conclusie

16/04401
Mr. F.F. Langemeijer
28 oktober 2016
Conclusie inzake:
[eiseres]
tegen
[verweerder]
1. In een geding voor de rechtbank Amsterdam heeft [verweerder] (als verhuurder) een vordering tegen [eiseres] (de huurster) ingesteld tot ontbinding van de huurovereenkomsten en tot ontruiming van het gehuurde, met nevenvorderingen. In reconventie heeft de huurster een vordering ingesteld tot opheffing van gebreken aan het gehuurde. Bij vonnis van 17 november 2014 heeft de kantonrechter in genoemde rechtbank de vorderingen in conventie grotendeels toegewezen en de vorderingen in reconventie afgewezen.
2. De huurster heeft hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 19 april 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:1548) heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis bekrachtigd.
3. Bij exploot van 19 juli 2016 heeft de huurster de verhuurder in cassatie doen dagvaarden. In strijd met het bepaalde in art. 407 lid 3 Rv Pro heeft de huurster nagelaten in dat exploot een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen om haar in het geding in cassatie te vertegenwoordigen, hoewel dit op straffe van nietigheid is voorgeschreven. Met overeenkomstige toepassing van art. 123 lid 1 Rv Pro is de huurster in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 23 september 2016 alsnog een advocaat bij de Hoge Raad te stellen. Zij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. In verzoekschriftzaken leidt een dergelijk verzuim tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep. In rolzaken bepaalt art. 123 Rv Pro dat ontslag van instantie volgt wanneer de eisende partij geen gebruik maakt van de haar geboden gelegenheid tot herstel. Hoewel art. 123 Rv Pro niet van toepassing is verklaard op de procedure in cassatie [1] , moet worden aangenomen dat art. 418a Rv zich niet verzet tegen toepassing in cassatie van art. 123 waar Pro dat nodig en geëigend zou zijn [2] . In dit geval is de gedaagde in cassatie niet verschenen; een ontslag van instantie lijkt daarom minder geëigend [3] . De Hoge Raad zou overeenkomstig de tekst van art. 407 lid 3 Rv Pro de nietigheid van de dagvaarding in cassatie kunnen uitspreken dan wel, overeenkomstig het gebruik in verzoekschriftzaken, de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
4. De
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.
De Procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
plv.

Voetnoten

1.Zie voor de wetsgeschiedenis: Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht, Van Mierlo/Bart, 2002, blz. 306 – 310 en blz. 485).
2.HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.4.3.
3.Vgl. Groene serie Burgerlijke rechtsvordering, art. 123, aantek. 16 (T.F.E. Tjong Tjin Tai).