Conclusie
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.
Parket bij de Hoge Raad
In een geschil tussen een verhuurder en huurster over ontbinding van huurovereenkomsten en ontruiming heeft de kantonrechter grotendeels de vorderingen van de verhuurder toegewezen en de vorderingen van de huurster afgewezen. De huurster stelde hoger beroep in, maar het gerechtshof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter.
Vervolgens heeft de huurster cassatie ingesteld, maar in strijd met artikel 407 lid 3 Rv Pro nagelaten een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen in de dagvaarding. Dit verzuim werd haar schriftelijk verzocht te herstellen binnen een gestelde termijn, maar zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.
De Hoge Raad overweegt dat dit verzuim leidt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep, overeenkomstig de analogie met artikel 123 Rv Pro in verzoekschriftzaken. Omdat de gedaagde in cassatie niet is verschenen, is ontslag van instantie minder passend en wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Deze beslissing benadrukt het belang van de formele vereisten in cassatieprocedures en de strikte toepassing van artikel 407 lid 3 Rv Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de huurster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een advocaat bij de Hoge Raad in de dagvaarding en het niet herstellen van dit verzuim.