Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof in strijd met art. 1, tweede lid, Sr heeft geoordeeld dat art. 22b Sr van toepassing is op feiten die mede zijn begaan vóór de inwerkingtreding van die bepaling en dat het hof niet de voor de verdachte meest gunstige bepaling heeft toegepast. Mede in het licht van de toelichting, begrijp ik het middel aldus, dat het niet alleen klaagt over strijd met art. 1, tweede lid, Sr, maar ook over strijd met de bijzondere overgangsbepaling die is neergelegd in art. II van de Wet van 17 november 2011,
Stb. 2012, 1.
Stb. 2012, 1 behelst de volgende overgangsbepaling:
tijdenshet begaan van het bewezen verklaarde feit en niet (slechts) om verandering van wetgeving
nahet bewezen verklaarde feit. [13] Uit de uitspraak van het Europese Hof in de zaak Scoppola volgt dat het lex mitior-principe de verplichting voor de rechter bevat om, wanneer er verschillen bestaan tussen de toepasselijke wettelijke bepaling op het moment van het begaan van het strafbare feit en de wettelijke bepalingen tot aan het moment van de onherroepelijke uitspraak, de voor de verdachte meest gunstige bepaling toe te passen. Ook wanneer de meest gunstige bepaling van toepassing is geweest gedurende een bepaalde periode nadat het feit is begaan, maar niet meer van toepassing is op het moment van berechting, dient deze te worden toegepast. Mijn ambtgenoot Knigge oppert de mogelijkheid dat het Europese Hof de ratio van de toepassing van het lex mitior-principe in deze “atypische” situatie vindt in het rechtszekerheidsbeginsel: met de toepassing van de milde tussenwet worden de verwachtingen gehonoreerd die de verdachte kon ontlenen aan de inwerkingtreding daarvan. [14] Door het ‘lex mitior’-principe op dergelijke situaties van toepassing te achten, heeft het Europese Hof aan dit principe een ruim bereik toegekend. Meer in het algemeen zet het Europese Hof het bepaalde in art. 7 EVRM Pro in de sleutel van de voorzienbaarheid van het recht [15] :