Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
28 januari 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor mishandeling gepleegd op 29 mei 2011 en kreeg een gevangenisstraf van één week opgelegd door het hof. Het hof motiveerde de straf mede op basis van een eerdere veroordeling in 2006 voor een ernstig misdrijf, en oordeelde dat een taakstraf niet mogelijk was vanwege artikel 22b Sr, dat taakstraffen beperkt bij recidive en ernstige gewelds- of zedenmisdrijven.
De Hoge Raad oordeelt echter dat deze beperking van artikel 22b Sr niet van toepassing is op feiten gepleegd vóór 3 januari 2012, de datum van inwerkingtreding van de wetswijziging. Omdat het mishandelingsfeit van de verdachte vóór die datum plaatsvond, was het hof onjuist in zijn oordeel dat een taakstraf niet mogelijk was.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van de straf. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.