Conclusie
1. Feiten en procesverloop
toev. A-G) [2] en verricht geen werkzaamheden meer in [A] B.V. Haar arbeidsovereenkomst met [A] B.V. is beëeindigd.
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
“boekhoudkundige standaard”had het hof zich moeten beperken tot de
verwachting omtrent toekomstige betalingop de peildatum en had het derhalve zowel a) de onzekerheid over de toewijsbaarheid en hoogte van de vergoeding als b) het debiteurenrisico – a) en b) zoals toegelicht door de vrouw – in het bedrag moeten verdisconteren, in plaats van gebruik te maken van de onder (i) en (ii) vermelde, op de peildatum nog niet voorzienbare
“ex post-informatie”.
subonderdeel 1.3dat het hof zijn oordeel in rov. 2.5 EB onvoldoende heeft gemotiveerd. In het licht van de als essentieel aan te merken stellingen van de vrouw met de strekking dat op de peildatum sprake was van een groot debiteurenrisico, zou onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd zijn ’s hofs oordeel dat het debiteurenrisico van onvoldoende gewicht is om de conclusie van de deskundige met betrekking tot de waardering van de vordering op [D] aan te tasten.
kort nade peildatum is verschaft. Het in belangrijke mate feitelijke oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk en voldoet naar mijn mening aan de voor het al dan niet volgen van een deskundigenbericht geldende motiveringseisen. [12]
“Dat bij het vormen van de pensioenvoorziening de verzorgingsgedachte niet voorop heeft gestaan, zoals de vrouw stelt, is daarbij voor het hof niet van belang.”Volgens de klacht heeft het hof aldus miskend dat de eisen van redelijkheid en billijkheid (kunnen) meebrengen dat – zo begrijp ik – in het licht van genoemde (hypothetische) omstandigheid de pensioenverevening achterwege kan blijven en de vrouw niet tot afstorting verplicht is. Daarbij zou tevens van belang zijn (i) dat de man zich niet binnen de door de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (hierna: WPV) gestelde termijn van twee jaar [21] bij de pensioenuitvoerder ( [A] B.V.) heeft gemeld en (ii) dat, zo begrijp ik, uit art. 11 WPV Pro volgt dat echtgenoten bij overeenkomst van pensioenverevening kunnen afzien.
“door haar” af te storten bedrag, welk bedrag
“zij”binnen twee weken moet afstorten – heeft miskend dat de verplichting tot afstorten niet aan de vrouw kan worden opgelegd, doch uitsluitend aan [A] B.V. als pensioenuitvoerder.
echtgenootdie als DGA de rechtspersoon beheerst waarin de te verevenen pensioenaanspraak is ondergebracht, in beginsel de plicht rust om
zorg te dragenvoor afstorting (door de rechtspersoon). Voorts heeft het hof onderzocht of [A] B.V. in staat is tot afstorting. Tegen die achtergrond kan de bestreden beslissing niet anders worden begrepen dan dat het hof de vrouw verplicht tot het verschaffen van een actuele berekening van het door [A] B.V. af te storten bedrag en ervoor zorg te dragen dat dit bedrag twee weken nadien door [A] B.V. wordt afgestort.
daaromniet over voldoende liquide middelen beschikt voor afstorting als verzocht. Voorts heeft zij gesteld (d) dat zij ter uitvoering van de eindbeschikking van de rechtbank (voor de aankoop van certificaten) een bedrag ad € 80.000 van [A] B.V. heeft moeten lenen.
thansover voldoende liquide middelen beschikt om af te storten, niet op de vraag of afstorting ook in het licht van de garantie van het pensioen van de vrouw op termijn verantwoord zou zijn. Die vraag wordt door het hof eerst in de tweede helft van rov. 2.15 EB besproken.
directe bedrijfsvoering. Het subonderdeel laat na dat onderscheid te maken en vindplaatsen aan te wijzen waaruit blijkt dat de directe continuïteit van de onderneming wel in geschil was. De klacht faalt derhalve.
“dat uit de berekeningen van de vrouw niet valt af te leiden of en, zo ja, op welke wijze zij daarbij (voldoende) rekening heeft gehouden met onzekere variabelen, zoals de rentestand tot 2030”. Daartoe wordt aangevoerd dat partijdeskundige [betrokkene] in zijn brief d.d. 3 maart 2014, p. 9-10 (prod. 39), had aangegeven uit te gaan van dezelfde uitgangspunten als deskundige Den Hertog. Volgens het subonderdeel is hij daarmee tevens uitgegaan van dezelfde variabelen als Den Hertog.
haar verdiencapaciteit in de komende jaren”in aanmerking neemt. Dat zou innerlijk tegenstrijdig zijn met de door het hof vastgestelde feiten dat de vrouw sinds 29 april 2008 onafgebroken/voortdurend arbeidsongeschikt was en dat er (daarom) geen sprake was van materiële activiteiten in de B.V. (rov. 4.4 TB resp. rov. 2.1 EB).
zijer in haar berekeningen al dan niet rekening mee heeft gehouden.
3.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
subonderdeel 2.1.3, dat klaagt dat het hof in rov. 4.4 TB (tweede volzin) heeft miskend dat de vraag of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten verknocht is en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Het hof heeft ten onrechte gemeend dat uitsluitend gekeken dient te worden naar de aard van het goed, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald, aldus steeds de klacht.
alleomstandigheden van het geval expliciet in zijn motivering te bespreken.
subonderdeel 2.1.4klaagt de man, naar de kern genomen, dat het hof in rov. 4.4 TB ten onrechte voorbij gaat aan c.q. niet adequaat reageert op:
welke goodwillvergoeding, gelet op het feit dat de man heeft meegetekend voor de lening waarmee de vrouw zich destijds bij [B] heeft ingekocht,
in de huwelijksgemeenschap valt, en
subonderdelen 2.1.6, 2.1.7 en 2.1.8scharnieren in de kern om de klacht dat het hof in rov. 4.4 TB voorbijgaat aan het betoog van de man dat sprake is van, kortgezegd, een schijnconstructie met het kennelijke doel om een tot de gemeenschap behorende goodwillvergoeding buiten die gemeenschap te brengen.
vanwege het concurrentiebeding. De klacht faalt naar mijn mening. De strekking van het partijdebat was duidelijk dat volgens de vrouw het concurrentiebeding (mede) belemmerend was voor haar mogelijkheden om in de B.V. werkzaamheden te verrichten en dat het te billijken was dat zij in dat verband een voorziening heeft getroffen.
aangekondigd, en wel ten betoge dat kennelijk sprake is van een alternatief aanwendbaar bedrag en dus van een
schijnconstructie, aldus de klacht. [26] Voorts zou het hof met deze overweging miskend hebben dat voor de vraag of een goed verknocht is, alle omstandigheden van het geval – dus ook het bestaan van een schijnconstructie – bepalend zijn.
aangekondigdhet van [B] in [A] B.V. ontvangen bedrag te zullen gebruiken voor de inkoop in een maatschap van Brabantse accountants c.q. fiscalisten. (...).”
subonderdeel 2.2.1heeft het hof ten onrechte de stelplicht omtrent de hoogte van de voorzieningen op de man gelegd.
“zijn stelling dat [de verhuiskosten] maximaal € 2.500,- mogen bedragen tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw onvoldoende [heeft] onderbouwd”, heeft het hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat de man, in het licht van hetgeen de vrouw heeft aangevoerd, zijn
betwistingvan de door de vrouw gestelde voorziening onvoldoende heeft onderbouwd. Dit oordeel is, gelet op de stellingen van de vrouw (verweerschrift tevens houdende incidenteel appel, nr. 90 e.v.) niet onbegrijpelijk.