Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
beschikking van 28 april 2016heeft de rechtbank de bezwaren van betrokkene verworpen [5] en het onder 1.5 genoemde verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling afgewezen. Volgens de rechtbank kon de geneesheer-directeur gedurende vier weken na het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging (in dit geval: vier weken na 2 april 2016) het voorwaardelijk ontslag nog rechtsgeldig intrekken.
beschikking van 12 mei 2016heeft de rechtbank de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf verleend met een geldigheidsduur tot 13 mei 2017. Bij afzonderlijke beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank het (onder 1.3 hiervoor vermelde) verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging afgewezen.
Bespreking van het cassatiemiddel m.b.t. de intrekking voorwaardelijk ontslag (16/03895)
schriftelijkin kennis stelt van zijn beslissing, onder mededeling van de redenen die tot de intrekking hebben geleid. De klacht houdt in dat de rechtbank had moeten onderkennen dat, nu niet is voldaan aan dit voorschrift (mede beschouwd in het licht van art. 5, lid 1, aanhef en onder e, en lid 2, EVRM) aan betrokkene onrechtmatig de vrijheid is ontnomen.
Bespreking van het cassatiemiddel m.b.t. de machtiging voortgezet verblijf (16/04137)