Uitspraak
wonende te [woonplaats],
Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Limburg,zetelende te Maastricht
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
3 april 2015.
Hoge Raad
Betrokkene was opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van een bevel tot inbewaringstelling. De rechtbank had op 7 augustus 2014 een machtiging verleend tot voortzetting van deze inbewaringstelling, welke op 28 augustus 2014 verliep. De officier van justitie diende het verzoek om een voorlopige machtiging op 29 augustus 2014 in, één dag te laat.
De rechtbank verleende op 9 september 2014 de voorlopige machtiging voor zes maanden, ondanks het late verzoek. Betrokkene stelde dat dit onrechtmatig was en dat de machtiging ingekort moest worden met de dag dat het verzoek te laat was ingediend. Ook werd aangevoerd dat de officier van justitie niet had voldaan aan de mededelingsplicht aan de geneesheer-directeur zoals voorgeschreven in de Wet Bopz.
De Hoge Raad oordeelde dat de geneesheer-directeur op grond van de Wet Bopz ontslag moet verlenen als de machtiging is verlopen, ongeacht de mededelingsplicht van de officier van justitie. Tevens stelde de Hoge Raad dat de rechtbank de voorlopige machtiging niet voor een langere periode dan zes maanden mocht verlenen vanaf het moment dat de vorige machtiging was verlopen en dat de machtiging niet met terugwerkende kracht kon ingaan. De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van de beschikking dat de looptijd op zes maanden stelde en bepaalde dat de voorlopige machtiging gold tot en met 28 februari 2015.
Uitkomst: De voorlopige machtiging geldt tot en met 28 februari 2015 en niet voor zes maanden vanaf de datum van beschikking.