Conclusie
4.Het eerste middel
ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 subsidiair
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor roekeloos rijden in een voetgangerszone met een bromfiets, waarbij een voetganger zwaar letsel opliep. Het hof legde een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan drie voorwaardelijk, en een rijontzegging van vier jaar op. De verdachte had bekend, maar was in hoger beroep verstek veroordeeld.
In cassatie werd het oordeel van het hof dat sprake was van roekeloosheid aangevochten. De Hoge Raad herhaalt dat roekeloosheid de zwaarste schuldvorm is en dat hoge eisen aan de bewijsvoering worden gesteld. Het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom het gedrag van de verdachte als roekeloos moest worden aangemerkt, terwijl de verklaring summier was en geen nadere feiten en omstandigheden werden besproken.
Daarnaast werd geklaagd over de strafmotivering en de overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad oordeelt dat de strafmotivering begrijpelijk is en geen rekening is gehouden met niet-veroordeelde feiten. Wel is de redelijke termijn overschreden, vooral door gebrekkige betekening en communicatie door het openbaar ministerie.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft en verwijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde beoordeling. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van roekeloosheid en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.