Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subjectievemaatstaf, in plaats van de voorgeschreven objectieve maatstaf voor beroepsaansprakelijkheid. Volgens de toelichting op deze klacht is van belang of de objectieve ‘maatman’ – een redelijk handelend en redelijk denkende cassatieadvocaat [9] – in een dergelijk geval in het cassatiemiddel een verwijzing naar de notulen van het werkoverleg zou hebben opgenomen. Het antwoord op de vraag welke kennis (subjectief) bij [eiseres] aanwezig was, is volgens de klacht niet relevant. Daarbij komt, dat een verwijzing naar de notulen van het werkoverleg, om daarmee aan te geven dat de werkneemster haar werkzaamheden voor NAK al in de week van 17 november 1997 had hervat, nutteloos zou zijn geweest. Het gaat om een nieuwe stelling van feitelijke aard, die in de cassatieprocedure tegen NAK als een ontoelaatbaar
novumin cassatie zou zijn aangemerkt.
novumin cassatie zou hebben opgeleverd en reeds om die reden achterwege had mogen worden gelaten, geldt het volgende. Het gerechtshof Den Haag heeft dit punt van geschil onder ogen gezien. Het hof is van oordeel dat de wijze waarop de procedure in Arnhem is gevoerd “geen schoonheidsprijs verdient”, omdat de advocaat die de zaak in tweede aanleg had behandeld niet naar de desbetreffende passage in de notulen van het werkoverleg heeft verwezen (rov. 7). Dit laat volgens het hof onverlet dat een in de feitelijke instanties gemaakte fout tot op zekere hoogte in cassatie kan worden hersteld. Bij zijn oordeel, dat zulk herstel in de zaak tegen NAK niet bij voorbaat uitgesloten was, heeft het gerechtshof Den Haag laten meewegen dat het gerechtshof Arnhem kennis had genomen van de notulen van dit werkoverleg, blijkens het feit dat het gerechtshof Arnhem naar een andere passage in diezelfde notulen verwijst. Volgens het gerechtshof Den Haag bestond er dan ook een reële kans dat de Hoge Raad in de eerste cassatieprocedure, op basis van een daarop toegesneden (motiverings)klacht, het arrest van het gerechtshof Arnhem van 18 juli 2006 zou hebben vernietigd indien [eiseres] in het door haar opgestelde cassatiemiddel, naast een verwijzing naar de memorie van grieven, ook een verwijzing zou hebben opgenomen naar de (als productie bij die memorie van grieven overgelegde) notulen van dit werkoverleg. Met dit alles heeft het gerechtshof Den Haag niet de regel miskend dat in een cassatieprocedure geen nieuwe stellingen van feitelijke aard mogen worden betrokken (art. 419 Rv Pro): de discussie gaat over de vraag óf hier sprake zou zijn geweest van een nieuwe stelling.
ennaar de (als productie bij die memorie van grieven overgelegde) notulen van het werkoverleg. Onderdeel I.2 treft om deze reden geen doel.
Onderdeel I.5, gericht tegen de twee laatste volzinnen van rov. 7, bouwt voort op de voorgaande middelonderdelen en deelt het lot daarvan.
Onderdeel II.4mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande middelonderdelen en behoeft verder geen bespreking.
onderdeel III.2onbegrijpelijk, aangezien:
condicio sine qua non-verband aanwezig en rest dus een schatting aan de hand van de goede en kwade kansen dat (naast de vordering van de werkneemster tot ontbinding van de overeenkomst van opdracht ook) de door de werkneemster tegen NAK ingestelde vordering tot schadevergoeding succes zou hebben gehad. Hieruit volgt m.i. dat de rechtsklacht onder III.1 feitelijke grondslag mist: het hof heeft de juiste maatstaf toegepast. Indien het gerechtshof Den Haag werkelijk van oordeel zou zijn geweest dat onzekerheid over de uitkomst van de door de werkneemster tegen NAK gevoerde procedure niet ten nadele van de werkneemster mag komen, zou het hof niet 50% maar 100% van de schadevordering hebben toegewezen. In rov. 10 heeft het hof kennelijk bedoeld dat, indien [eiseres] in het cassatiemiddel in de zaak tegen NAK een motiveringsklacht zou hebben opgenomen die naar de desbetreffende passage in de memorie van grieven en naar de daarbij overgelegde notulen van het werkoverleg verwijst, de kans dat de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof Arnhem zou hebben vernietigd ongeveer even groot is als de kans dat de Hoge Raad met verwerping van die motiveringsklacht dat arrest in stand zou hebben gelaten. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, zodat ook de motiveringsklacht geen doel treft. De in onderdeel III.2 aangevoerde argumenten maken dit laatste niet anders. Deze argumenten zijn hiervoor al ter sprake gekomen [12] .
Onderdeel III.3bouwt voort op de voorgaande onderdelen en deelt het lot daarvan.
Onderdeel IV.1klaagt dat het hof hier het bepaalde in art. 24 en Pro art. 149 Rv Pro miskent: de werkneemster had in de Arnhemse procedure gesteld dat zij vanaf 8 december 1997 haar werkzaamheden heeft hervat; niet dat zij haar werkzaamheden heeft hervat in de week van 17 november 1997.
Onderdeel IV.2voegt toe dat het hof in de laatste volzin van rov. 11 de exacte datum van werkhervatting niet in het midden had mogen laten, nu het uitsluitend gaat om de vraag of de werkneemster wel of niet op 8 december 1997 haar werk heeft hervat.
Onderdeel IV.3bouwt voort op de voorgaande klachten en deelt het lot daarvan.
Onderdeel V.1klaagt dat voor zover in de laatste volzin van deze overweging besloten ligt dat NAK niet heeft gesteld dat de schoningswerkzaamheden al in november 1997 waren afgerond, dit oordeel op een onjuiste lezing van de gedingstukken berust: [eiseres] heeft in de aansprakelijkheidsprocedure erop gewezen dat NAK in de procedure bij het gerechtshof Arnhem had aangevoerd dat de schoningswerkzaamheden in november 1997 waren afgerond en dat de werkneemster na haar terugkeer geen ‘stofgevoelige’ werkzaamheden heeft verricht: haar werkzaamheden betroffen hoofdzakelijk nog de analyse van monsters. Volgens [eiseres] heeft de werkneemster dit ter comparitie niet tegengesproken; zij heeft slechts gesteld dat (ook) de analyse van monsters niet stofvrij is. Dit laatste kan volgens het middelonderdeel niet gelden als een voldoende gemotiveerde betwisting van dit verweer. Volgens de klacht had het hof als vaststaand feit moeten aannemen dat de werkneemster na november 1997 (lees: na haar werkhervatting op 8 december 1997) niet kan zijn blootgesteld aan gevaarlijke stoffen.
Onderdeel V.4klaagt, in verband hiermee, dat het hof in het eindarrest had behoren terug te komen op zijn eerdere eindbeslissing, nu deze op een kennelijke misslag berustte.
Onderdeel V.5mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten
onderdeel VI.1klaagt [eiseres] dat het gerechtshof Den Haag heeft miskend dat volgens het arrest van de Hoge Raad van 7 juni 2013 [13] een te onzeker of te onbepaald verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden niet genoeg is voor een bewijsvermoeden.
Expertise Centre Environmental Medicine(ECEM). Dit laatste rapport was opgemaakt in het kader van het geschil tussen enkele collega’s van de werkneemster en NAK. In dat rapport valt onder meer te lezen: “(…) experimenteel onderzoek heeft een causale relatie kunnen leggen tussen blootstelling aan deze toxinen en het optreden van ontsteking in gewrichten. Inmiddels is ook een aantal artikelen in de literatuur verschenen, die dit verband bij de mens zeer aannemelijk maken (…)”. Dat het gerechtshof Den Haag deze beide rapportages tezamen heeft opgevat als een voldoende onderbouwing van het oorzakelijk verband tussen de blootstelling aan stof op de werkplek van de werkneemster en de door haar geleden gezondheidsschade, berust op een bewijsoordeel dat aan het hof is voorbehouden en behoefde geen nadere uitwerking om voor de lezer begrijpelijk te zijn. Uit rov. 7 volgt dat naar het oordeel van het hof sprake is van meer dan alleen een te onzeker of te onbepaald verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden. De rechtsklacht faalt.
onderdeel VI.3, dat klaagt dat de slotsom van rov. 7 niet wordt gedragen door hetgeen het hof overweegt in rov. 6.
Onderdeel VI.5mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten en behoeft geen bespreking.