Conclusie
2.Procesverloop
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdeel Ibevat diverse klachten van procesrechtelijke aard tegen ’s hofs oordeel in rov. 2.2, eerste volzin (en de daarop voortbouwende oordelen) van het eindarrest van 29 september 2015, dat [eiser] de gedetailleerde verklaring van [verweerder] ter zitting van 22 april 2015 niet heeft weersproken en dat het hof daarom van de juistheid van deze verklaring uitgaat.
Onderdeel IIbestrijdt ’s hofs oordeel in rov. 2.5 dat [eiser] de (slijtage)schade aan het 2.3 liter motorblok, door het hof
ex aequo et bonobegroot op € 12.500,-, aan [verweerder] dient te vergoeden.
Onderdeel IIIis gericht tegen rov. 2.7, waarin het hof oordeelt dat de vordering van [verweerder] van € 3.455,- voor de extra in het 2.3 liter motorblok gemonteerde onderdelen dient te worden toegewezen.
[verweerder]stelt zich op het standpunt dat [eiser] , toen bleek dat het door hem van [verweerder] gekochte 2.5 liter motorblok niet op tijd gereed was, ermee heeft ingestemd dat hem een 2.3 liter motorblok in bruikleen werd gegeven. Volgens [verweerder] zou zijn afgesproken dat [eiser] het 2.3 liter motorblok in de loop van het seizoen 2011 aan [verweerder] zou afgeven, waarna [verweerder] , met een aantal onderdelen uit het 2.3 liter motorblok, het 2.5 liter motorblok gereed zou maken. [verweerder] stelt in dat verband dat hij een aantal speciaal voor het 2.5 liter motorblok gemaakte onderdelen in het 2.3 liter motorblok had gemonteerd. Zonder die onderdelen kon hij het 2.5 liter motorblok niet gereed maken. Volgens [verweerder] is sprake van schuldeisersverzuim, omdat [eiser] geweigerd heeft het 2.3 liter motorblok terug te geven. [eiser] heeft dan ook ten onrechte de ontbinding van de overeenkomst ingeroepen. Hiernaast stelt [verweerder] dat het motorblok (dat is het 2.3 liter motorblok) dat uiteindelijk door [eiser] is teruggegeven, extreme slijtage vertoonde. Hij vordert vergoeding van die schade.
2.1 [eiser] heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van 22 april 2015 verklaard:
Subonderdeel I.1klaagt dat het hof met deze overweging ten onrechte is teruggekomen op de in zijn tussenarrest in rov. 5.5, derde volzin, gegeven bindende eindbeslissing. Volgens het subonderdeel hield deze eindbeslissing in dat [eiser] de stelling van [verweerder] , dat levering van het 2.5 liter motorblok slechts mogelijk is na afgifte door hem van het 2.3 liter motorblok, gemotiveerd heeft weersproken. Gelet op deze bindende eindbeslissing mocht het hof in rov. 2.2, eerste volzin, van het eindarrest niet oordelen dat [eiser] de (gehele) verklaring van [verweerder] – waaronder de verklaring dat hij de onderdelen die in het 2.3 liter motorblok waren geplaatst nodig had om het 2.5 liter motorblok af te bouwen – niet ter zitting van 22 april 2015 heeft weersproken en dat het daarom uitgaat van de juistheid van die verklaring. Door dit wel te oordelen, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting van de leer van de bindende eindbeslissing, aldus het subonderdeel.
Het hof neemt in rov. 5.4 van het tussenarrest tot uitgangspunt dat [verweerder] in beginsel in verzuim is komen te verkeren met betrekking tot de levering van het 2.5 liter motorblok en dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming die ontbinding rechtvaardigt, tenzij er sprake is van schuldeisersverzuim. Het hof overweegt dan dat voor dit laatste een beletsel tot nakoming door [verweerder] aan de zijde van [eiser] is vereist, en dat [verweerder] stelt dat dit beletsel bestaat uit de weigering van [eiser] om tot afgifte van het 2.3 liter motorblok over te gaan, omdat [verweerder] zonder dit motorblok niet aan zijn eigen verplichtingen – levering van het 2.5 liter motorblok – kon voldoen. In aansluiting hierop overweegt het hof in rov. 5.5 dat voor zover grief 2 van [verweerder] is gericht tegen de wijze waarop de rechtbank de aanvulling op zijn stellingen in de akte van 3 juli 2013, inhoudende dat de desbetreffende onderdelen speciaal voor het 2.5 liter motorblok zijn gefabriceerd en in het 2.3 liter motorblok zijn gemonteerd, heeft gekwalificeerd als zijnde tardief, geldt dat het geschil thans in hoger beroep voorligt en dat de grief in zoverre niet relevant is. Daarmee zal het hof bedoeld hebben dat het deze stellingen in hoger beroep alsnog zal beoordelen.
‘thans (…) de vraag [centraal staat] in hoeverre [eiser] door te weigeren het 2.3 liter motorblok aan [verweerder] af te geven, in schuldeisersverzuim is komen te verkeren’. Vervolgens gelast het hof een comparitie van partijen, om nader door partijen te worden geïnformeerd en te bezien of een onderlinge regeling mogelijk is,
weergave van de stellingnamevan [eiser] . In de zin is redelijkerwijs géén bindende eindbeslissing met betrekking tot enig geschilpunt te lezen. Dit betekent dat ook van het later terugkomen op een bindende eindbeslissing geen sprake kan zijn.
Subonderdeel I.1faalt daarmee.
subonderdeel I.2, dat berust op de veronderstelling dat de klacht in subonderdeel I.1 gegrond wordt bevonden.
'dat [eiser] ter zitting van 22 april 2015 de gedetailleerde verklaring van [verweerder] niet heeft weersproken en dat het hof om die reden uitgaat van de juistheid daarvan'.
In de
eerste plaatswordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat [eiser] de stellingen van [verweerder] ter zitting van 22 april 2015 wél heeft weersproken en dat [verweerder] ter zitting ervan blijk heeft gegeven ook daarvan uit te gaan. In zoverre zou het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing hebben gegeven, alsmede een oordeel dat, zonder nadere toelichting die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Ter toelichting wordt onder I.3.1 tot en met I.3.3 gesteld dat de ter zitting door [verweerder] afgelegde verklaring, door het hof geciteerd in rov. 2.1, identiek is aan de stellingen die hij in eerste aanleg en in zijn memorie van grieven aan zijn beroep op schuldeisersverzuim ten grondslag heeft gelegd en waartegen [eiser] zich zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft verweerd. [eiser] heeft dit verweer gehandhaafd, zo is af te leiden uit de volgende passage uit het proces-verbaal van de zitting van 22 april 2015:
tweede plaats(klacht sub I.3.4) wordt geklaagd dat het hof met dit oordeel zowel art. 149 Rv Pro als de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend, omdat het ten onrechte niet het verweer van [eiser] gedurende het gehele geding (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) heeft gevoerd in zijn beoordeling zou hebben betrokken.
Verder klaagt
subonderdeel I.4dat het hof met de geciteerde overweging in rov. 2.2, eerste volzin, de uitgebreide betwisting van [eiser] – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – van de stellingen van [verweerder] ongemotiveerd heeft gepasseerd. Voorts heeft het hof een innerlijk tegenstrijdig oordeel gegeven, omdat het in rov. 5.5, derde volzin, van zijn tussenarrest reeds heeft vastgesteld dat [eiser] de stelling van [verweerder] , inhoudende dat levering van het 2.5 liter motorblok slechts mogelijk is na afgifte van het 2.3 liter motorblok gemotiveerd heeft weersproken.
Art. 149 Rv Pro bepaalt in de tweede volzin dat feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, door de rechter als vaststaand moeten worden beschouwd (behoudens uitzonderingen). Het gaat hier om een regel van bewijsrecht met twee dimensies. Enerzijds mag de rechter geen bewijs verlangen van feiten waarvan de juistheid door beide partijen is erkend. [3] Anderzijds mag de rechter gestelde feiten als vaststaand aannemen, indien de wederpartij die feiten onvoldoende heeft betwist. In dat laatste geval neemt de rechter in feite een (impliciete) bewijsbeslissing: het gestelde feit wordt aannemelijk geacht omdat de betwisting
onvoldoende(aannemelijk) is, althans het gestelde wordt méér aannemelijk geacht dan de betwisting daarvan. [4] Dit kan zich voordoen als de betwisting te summier is (een 'blote ontkenning'), [5] niet goed begrijpelijk, inconsistent, onvoldoende gedetailleerd, onvoldoende toegelicht of niet of onvoldoende onderbouwd met bewijsstukken. Bovendien zal de betwisting
steekhoudendmoeten zijn, dat wil zeggen dat zij de feitelijke of juridische onderbouwing van de vordering moet raken. [6] Steeds gaat het dus om de
kwaliteitvan de betwisting. [7] Asser wijst er echter op dat de rechter níet mag vergen dat een betwisting altijd een voldoende weerlegging van het gestelde feit meebrengt. Ook kan niet steeds een onderbouwing met bewijsstukken worden gevraagd van de betwistende partij; de rechter moet wel voor ogen houden welke partij de bewijslast draagt. [8] Wat in een concreet geval van een betwistende partij mag worden gevraagd, hangt af van de omstandigheden van het geval, dat wil zeggen: van de ontwikkeling van het processuele debat in het concrete geval. In het algemeen geldt dat hoe concreter, preciezer en beter onderbouwd de stellingen van de ene partij zijn, des te hoger de eisen aan de betwisting van de wederpartij zullen zijn. [9] Er bestaat dus een ‘dynamisch verband’ tussen stellen en betwisten, zo zou men kunnen zeggen. [10]
De zwakke schakel van de overweging van het hof zit hierin, dat het hof niet concreet aangeeft tegenover welke (onderdelen van) stellingen van [verweerder] een (voldoende gemotiveerde) betwisting door [eiser] ontbreekt. Dit leidt tot onduidelijkheid, omdat de verklaring die [verweerder] ter zitting heeft afgelegd vrijwel overeenkomt met de stellingen die hij in zijn processtukken heeft ingenomen, en die steeds betwist zijn door [eiser] . Het is dan ook niet duidelijk waarom het hof zoveel betekenis toekent aan de omstandigheid dat [eiser] ‘
ter zitting (…) de verklaring van [verweerder] niet heeft weersproken’. De enige verschillen die ik heb kunnen vinden tussen de verklaring ter zitting en de stellingen van [verweerder] in de eerdere processtukken, is dat [verweerder] ter zitting spreekt over een mededeling aan [eiser] (naar ik aanneem: in een telefoongesprek) - dat hij het 2.3 liter motorblok nodig had om het 2.5 liter motorblok klaar te maken - die hij
eind maart 2011zou hebben gedaan en dat [eiser] in
mei 2011in een telefoongesprek heeft aangegeven het 2.3 motorblok niet naar hem te willen brengen. In de eerdere processtukken is geen melding gemaakt van een dergelijke mededeling van eind maart 2011 en ook niet van het telefoongesprek van mei 2011. In die eerdere stukken heeft [verweerder] volstaan met de stelling dat [eiser] wist dat het 2.3 liter motorblok nodig was om het 2.5 liter motorblok klaar te maken en dat tussen partijen was afgesproken dat [eiser] het 2.3 liter motorblok in de loop van het raceseizoen zou brengen als hij tijd had. Aannemelijk is dan dat het hof [eiser] tegenwerpt dat hij deze aanvullende stellingen (de gesprekken/mededelingen van maart 2011 en mei 2011) ter zitting niet heeft betwist.
'de gedetailleerde verklaring van [verweerder] niet door [eiser] ter zitting van 22 april 2015 is weersproken', mogelijk hebben meegespeeld dat het hof de door [verweerder] ter zitting afgelegde verklaring als méér waarheidsgetrouw ('meer aannemelijk') inschatte dan de verklaring van [eiser] . Het ter zitting horen van partijen en het door hen zelf geïnformeerd worden over wat er precies is gebeurd, is een belangrijke reden voor de rechter om een comparitie te gelasten. De rechter veronderstelt daarbij dat hij dan –
face to face- een betere inschatting kan maken van de waarheidsgetrouwheid van de door partijen ingenomen stellingen. In een situatie als de onderhavige, waarin het in feite het woord van de ene partij is tegenover het woord van de andere partij, zal de rechter dit zien als een belangrijk middel tot waarheidsvinding.
Indien de inschatting van waarheidsgetrouwheid van de verklaringen van respectievelijk [verweerder] en [eiser] inderdaad een rol heeft gespeeld, zou het beter zijn geweest als het hof dit expliciet had overwogen. Het zou dan meer inzicht in zijn gedachtegang hebben gegeven. Het zou nóg beter zijn geweest als het hof in dat geval met partijen had besproken of er nog verklaringen van derden beschikbaar waren en, als het antwoord bevestigend had geluid, gewoon een getuigenverhoor had gelast. Maar ook als dat niet het geval was en het inderdaad slechts het woord van [verweerder] tegenover dat van [eiser] was, had het hof een bewijsopdracht kunnen formuleren en een getuigenverhoor kunnen gelasten. Dan was in ieder geval duidelijk geweest wat precies de inkadering was van de verklaringen die partijen aflegden en zou voor hen duidelijk zijn geweest wat voor het hof de springende punten waren. Daarmee zou zijn voorkomen wat er nu gebeurd is, dat een partij na de comparitie wordt 'afgerekend' op wat hij daar
nietheeft verklaard, zonder dat duidelijk is of die partij daarnaar gevraagd is c.q. bekend was bij die partij wat het belang was van een verklaring op het betreffende punt. In zoverre was inderdaad sprake van een 'verrassing' (al zou ik het niet een verrassingsbeslissing noemen, zoals subonderdeel I.3 doet).
wistdat [verweerder] het 2.3 liter motorblok nodig had, [17] maar stelt anderzijds ook dat het 2.3 liter motorblok (inderdaad) terug moest naar [verweerder] , maar dat [verweerder] daarover nog contact met hem zou opnemen. [18] Daarnaast voert [eiser] ook aan dat hij (in oktober 2011) het motorblok niet terug wilde geven omdat hij geen garantie had hoe het verder zou gaan. [19] Tijdens de comparitie in hoger beroep stelt hij dan
'dat hij de onderdelen naar [eiser] [wilde] brengen'. [20] Het is mij niet duidelijk hoe deze betwistingen zich precies tot elkaar verhouden. Het is goed mogelijk dat het hof dit voor ogen had, met zijn overweging dat de stellingen van [verweerder] ter zitting niet zijn weersproken. Daarmee is dan kennelijk bedoeld: 'niet voldoende'. Dat [eiser] de stellingen van [verweerder] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, is dan een feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel.
ex aequo et bonobegroot op € 12.500,-, aan [verweerder] dient te vergoeden. De betreffende overweging luidt als volgt:
4. 11. Resteert de vraag of [eiser] schade aan [verweerder] is verschuldigd ontstaan door slijtage als gevolg van het gebruik van het 2.3 liter motorblok gedurende het gehele seizoen 2011. De rechtbank is van oordeel dat de vordering van [verweerder] niet toewijsbaar is. Daartoe wordt overwogen dat, mede gelet op het gevoerde verweer, niet voldoende feitelijk is onderbouwd dat de gestelde schade een gevolg is van toerekenbaar tekortschieten door [eiser] .
Als de auto netjes behandeld wordt, niet over de toeren gaat en de kleppen de zuiger raken – wat wel is gebeurd – dan kan de motor langer mee. Aangezien de kleppen de zuiger hebben geraakt kunnen de kleppen breken en de zuiger is beschadigd. Verder heeft de motor zand gehad, zijn de filters niet onderhouden en is het oliefilter nooit ververst. Er is dus schade.”
niet tijdigteruggeven van het 2.3 liter motorblok, namelijk pas aan het einde van het seizoen 2011 in plaats van halverwege het seizoen 2011 waardoor
extraslijtage aan het motorblok zou zijn ontstaan. Dat was namelijk het betoog van [verweerder] in eerste aanleg. [22] De overweging van de rechtbank in rov. 4.11 van het vonnis sluit hierbij aan:
'Resteert de vraag of [eiser] schade aan [verweerder] is verschuldigd ontstaan door slijtage als gevolg van het gebruik van het 2.3 liter motorblok gedurende het gehele seizoen 2011.'In hoger beroep steekt [verweerder] zijn schadevordering echter anders in en betoogt hij dat [eiser] niet als een goed huisvader voor het motorblok heeft gezorgd. [23] Hoewel hij ook in hoger beroep nog refereert aan schade als gevolg van het - in strijd met de afspraken -
niet tijdigretourneren van het 2.3 liter motorblok, [24] spitst hij de zaak ter comparitie in hoger beroep toe op het niet netjes behandelen van het motorblok door [eiser] . Het is ook díe passage die het hof opneemt in rov. 2.5, waar het de schade aan het motorblok bespreekt.
Nu in rov. 2.5 niets wordt gezegd over het niet tijdig teruggeven van het 2.3 liter motorblok en het daardoor schadeplichtig zijn van [eiser] , moet het ervoor worden gehouden dat de grondslag voor de schadevergoeding door het hof wordt gevonden in art. 7a:1781 BW.
subonderdeel II.3– nader uitgewerkt onder II.3.1 tot en met II.3.2 – wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof in het tweede tekstblok van rov. 2.5, derde volzin, (
' [eiser] heeft een en ander weersproken') niet te rijmen is met de daarop volgende overweging, dat [eiser] aansprakelijk is voor de schade.
eerste plaatswordt geklaagd dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat [eiser] de stellingen van [verweerder] ter zitting van 22 april 2015 wél heeft weersproken en dat [verweerder] ter zitting ervan blijk heeft gegeven ook daarvan uit te gaan. In zoverre zou het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing hebben gegeven, alsmede een oordeel dat, zonder nadere toelichting die ontbreekt, onbegrijpelijk is. In de
tweede plaatswordt geklaagd dat het hof met dit oordeel het bepaalde in art. 149 Rv Pro heeft miskend, omdat het ten onrechte niet het verweer van [eiser] gedurende het gehele geding heeft gevoerd in zijn beoordeling zou hebben betrokken. Daarnaast heeft het hof, in het licht van het door [eiser] in zijn memorie van antwoord op het punt van de (slijtage)schade gevoerde verweer, een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
'Slechts indien op de comparitie voldoende is gevraagd maar de antwoorden zijn onvoldoende gebleken, kunnen partijen daarop worden afgerekend'. [28] [eiser] is afgerekend op een onvoldoende betwisting, zonder dat duidelijk is of hem ter zitting daarnaar is gevraagd.
Op al deze punten heeft [eiser] verweer gevoerd. [29] Voorts heeft [eiser] nadrukkelijk aangevoerd dat, zo vat ik samen, het eigen aan het gebruik van een motorblok voor het crossen is dat sprake is van extreme slijtage en dat het motorblok dan ook niet onderhevig is geweest aan méér slijtage dan in de lijn der verwachtingen lag. [30] Ook deze betwistingen diende het hof te betrekken bij zijn beoordeling. Voor zover het hof zou hebben gemeend dat die betwistingen onvoldoende kwaliteit hadden, had het hof dat moeten toelichten.
Subonderdeel II.4 slaagt derhalve.
De laatste jaren is in de literatuur veelvuldig kritiek geuit op het afdoen van een zaak op schending van de stelplicht, dat wil zeggen op het 'niet voldoende gesteld hebben'. [31] Ook de Hoge Raad oordeelt met enige regelmaat dat de rechter ten onrechte een partij niet toelaat tot bewijslevering op de enkele grond dat niet voldaan is aan de stelplicht. [32] Wat in de onderhavige zaak aan de orde is, het beslissen van een zaak op de grond dat stellingen niet (voldoende gemotiveerd) zijn betwist, is de spiegelzijde van ditzelfde fenomeen. Ook hier geldt derhalve dat de rechter vóórdat hij oordeelt dat een partij een stelling van haar wederpartij onvoldoende gemotiveerd heeft betwist (en dus niet wordt toegekomen aan bewijslevering), uit een oogpunt van behoorlijke rechtsbedeling zich de volgende vragen zou moeten stellen: [33]
subonderdeel II.5– nader uitgewerkt onder II.5.1 en II.5.2 – berusten op de lezing dat het hof in rov. 2.5 heeft geoordeeld dat [eiser] door ter zitting van 22 april 2015 de verklaring van [verweerder] omtrent (slijtage)schade niet te weerspreken zijn (eerdere) verweer heeft prijsgegeven.
geenonderdeel waren van de koopovereenkomst, maar deze onderdelen door [eiser] later zijn besteld, en dat het hof daar blijkens zijn overweging in rov. 2.7, zevende volzin (tweede deel), kennelijk ook vanuit is gegaan.
inclusief de aan [eiser] geleverde onderdelen.Ter onderbouwing van die grief stelt [verweerder] het volgende:
nietvielen onder de oorspronkelijke koopovereenkomst als de (subsidiaire) stelling van [verweerder] dat de onderdelen waardeloos zijn, gemotiveerd heeft betwist. [37] Verder bevat
subonderdeel III.2voortbouwende klachten gericht tegen het oordeel in rov. 2.7, zevende volzin (tweede deel), dat in het midden kan blijven wat de (exacte) grondslag is van de verschuldigdheid van het bedrag, alsmede tegen de conclusies van het hof in rov. 2.7, laatste volzin, rov. 2.8 (waaronder de beslissing over de compensatie van de proceskosten) en het dictum.
laterbij hem besteld en heeft [eiser] vervolgens zelf de onderdelen in het 2.3 liter motorblok gemonteerd. [38] Een specificatie van de onderdelen ter waarde van € 3.455,- is opgenomen in productie 5, tweede blad, bij de inleidende dagvaarding. Als ik het goed begrijp, is het verweer van [eiser] dat deze onderdelen wel zijn geleverd, maar dat hij er niet voor hoefde te betalen omdat partijen hadden afgesproken (toen bleek dat het 2.5 liter motorblok niet gereed was) dat hem 'gratis' een 2.3 liter motorblok ter beschikking zou worden gesteld door [verweerder] . [eiser] mocht er dan ook vanuit gaan dat dat motorblok alle benodigde onderdelen had, zodat er geen grondslag is waarop hij zou moeten betalen voor de separaat geleverde onderdelen. [39] Daarnaast stelt [eiser] dat hij geen opdracht heeft gegeven aan [verweerder] om de extra onderdelen op het motorblok te plaatsen. [40] Subsidiair heeft [verweerder] aangevoerd dat [eiser] weliswaar door de rechtbank is veroordeeld tot teruggave van de onderdelen (namelijk door teruggave van het 2.3 liter motorblok, waarin die onderdelen waren gemonteerd). [41] Volgens hem is daarvoor echter geen grondslag. Elders in de memorie van grieven (punt 66) stelt hij dan dat de geleverde onderdelen 'als schroot' zijn afgegeven en dat hij betaling van het bedrag van € 3.455,- vordert. [eiser] stelt daar op zijn beurt tegenover dat hij alle onderdelen die hij van [verweerder] heeft gekregen aan hem heeft geretourneerd en dat, zo begrijp ik, de kwestie van de onderdelen daarmee is afgedaan. [42] Hiervoor, bij de bespreking van subonderdeel II, kwam al aan de orde dat [eiser] betwist dat het 2.3 liter motorblok beschadigd heeft teruggegeven.
Het oordeel van het hof acht ik dan ook onvoldoende gemotiveerd. Daarmee slagen de subonderdelen III.1.1, III.1.2 en III.2.
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel
hoger beroepheeft [verweerder] zijn vordering tot nakoming van de koopovereenkomst door [eiser] (ongewijzigd) gehandhaafd. [46] Blijkens de gedingstukken is ook [eiser] hiervan uitgegaan. [47] De stellingen a) dat [verweerder] niet (meer) bereid is het 2.5 liter motorblok aan [eiser] te leveren, b) dat hij vanwege de tekortkoming van [eiser] in de nakoming van de koopovereenkomst in wezen (ook) ontbinding vordert en c) wenst dat hij van zijn leveringsverplichting wordt ontslagen, heb ik nergens in de gedingstukken aangetroffen. Het is dan ook niet duidelijk op welke grond het hof heeft aangenomen dat [verweerder] niet (meer) bereid zou zijn het 2.5 liter motorblok aan [eiser] te leveren en waarop het hof zijn constatering heeft gestoeld dat hij de facto wenst dat hij van zijn leveringsverplichting wordt ontslagen. Voorts valt uit het bestreden arrest niet af te leiden hoe het hof tot zijn uitleg van de vorderingen van [verweerder] is gekomen. Het hof heeft in dat kader slechts overwogen uit ‘
de memorie van grieven’de vorderingen van [verweerder] aldus te begrijpen dat hij, vanwege de tekortkoming van [eiser] in de nakoming van de koopovereenkomst, in wezen (ook) ontbinding van de koopovereenkomst vordert. In de memorie van grieven heb ik een dergelijke (impliciete) stellingname echter niet aangetroffen.
onmogelijkheidtot nakoming (niet ‘kunnen’ leveren) dan het
niet bereidzijn tot nakoming (niet ‘willen’ leveren), terwijl het hof in rov. 2.6 juist van dit laatste lijkt uit te gaan. Daarbij komt dat [verweerder] nergens in de gedingstukken heeft gesteld dat nakoming van zijn leveringsverplichting (al dan niet door de beschadiging van het 2.3 motorblok) onmogelijk is en/of dat hij daartoe niet langer bereid is. Gelet op hetgeen [verweerder] in feitelijke instanties heeft gesteld en gevorderd, heeft het hof met de hiervoor onder 4.2, a tot en met c, weergegeven overwegingen hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door buiten de grenzen van de rechtsstrijd te treden (art. 24 Rv Pro), hetzij, zonder nadere motivering die ontbreekt, een onbegrijpelijk oordeel gegeven. Het is derhalve aan het verwijzingshof om (alsnog) te beslissen op de door [verweerder] gevorderde nakoming van de koopovereenkomst.