Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Geding voor de Rechtbank en het Hof
4.Het geding in cassatie
eerste cassatiemiddelbetoogt belanghebbende dat het Hof met zijn oordeel, dat de in het vrije verkeer gebrachte goederen de niet-preferentiële oorsprong China hebben, het recht – met name artikel 24 van Pro CDW – heeft geschonden en dat oordeel onbegrijpelijk is en onvoldoende gemotiveerd.
tweede cassatiemiddelheeft betrekking op het in het CDW gecodificeerde vertrouwensbeginsel. In dit middel bestrijdt belanghebbende met rechts- en motiveringsklachten het oordeel van het Hof dat geen sprake is van een vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW en dat het vertrouwensbeginsel en dat het vertrouwensbeginsel niet aan navordering in de weg staat.
Faroe Seafood [11] . Belanghebbende leidt uit dat arrest af dat autoriteiten waarmee geen wederzijdse afspraken zijn gemaakt, wel een actieve gedraging kunnen verrichten op grond waarvan vertrouwen ontstaat.
HR BNB 2009/284 [12] . Zij is van mening dat, hoewel in dit arrest voorafgaand aan de passieve veredeling (het niet controleren) een actieve gedraging (een fysieke controle) heeft plaatsgevonden, een beroep kan worden gedaan op de omstandigheid dat de douaneautoriteiten aansluitend aan de fysieke opnames stil zijn gaan zitten. Ook meent belanghebbende dat het ontbreken van een plicht tot verificatie niet in de weg staat aan toepassing van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW. Indien dat anders zou zijn, zou een beroep op dat artikel feitelijk geheel niet meer mogelijk zijn, aldus belanghebbende.
derde cassatiemiddelkomt belanghebbende met rechts- en motiveringsklachten op tegen de oordelen in de punten 5.16 en 5.17 van de hofuitspraak, waarin het Hof oordeelt dat de Rechtbank ambtenaar [F] [13] mocht horen, omdat deze ambtenaar slechts tot bijstand van de Inspecteur aanwezig was en hij niet als getuige is gehoord.
vierde cassatiemiddelkomt op tegen het oordeel van het Hof dat geen proceskostenvergoeding wordt toegekend en geen griffierechten worden vergoed.
eerste cassatiemiddelkan volgens de Staatssecretaris niet tot cassatie leiden. ’s Hofs oordeel dat aannemelijk is dat [B] in de jaren 2007 en 2008 lampen heeft vervaardigd door de assemblage van een drietal Chinese halffabricaten, is volgens Staatssecretaris van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Het Hof is zijns inziens niet gehouden specifieke argumenten te benoemen. Het oordeel van het Hof dat geen sprake is van een oorsprongbepalende assemblagehandeling is eveneens van feitelijke aard. ’s Hofs oordeel dat de Inspecteur is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de ingevoerde spaarlampen van niet-preferentiële Chinese oorsprong zijn, berust naar zijn mening op de aan het Hof voorbehouden keuze en waardering van de bewijsmiddelen en is niet onbegrijpelijk. Niet is vereist dat het Hof alle berekeningen van OLAF moet kunnen controleren.
tweede cassatiemiddelis de Staatssecretaris, onder verwijzing naar onder meer
Hit Trading [14] en Schenker [15] , van mening dat de Thaise autoriteiten geen in rechte te honoreren vertrouwen kunnen wekken. De Staatssecretaris onderschrijft het oordeel van het Hof dat de Thaise autoriteiten niet als ‘douaneautoriteiten’ in de zin van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW kunnen worden aangemerkt. Ook kan het ‘stilzitten’ van de Inspecteur niet als vergissing in de zin van het genoemde artikel worden aangemerkt, omdat het CDW - gelet ook op de considerans - niet de verplichting oplegt aangiften stelselmatig te controleren.
derde cassatiemiddelkan volgens de Staatssecretaris evenmin tot cassatie leiden. De Staatssecretaris leidt uit de parlementaire behandeling van artikel 8:24 van Pro de Awb en de uitspraak van hof Amsterdam van 17 november 2011, nr. 10/00753 [16] , af dat geen beperking is aangebracht ten aanzien van de kring van personen die bijstand kunnen verlenen.
vierde cassatiemiddelkan niet tot cassatie leiden. De Staatssecretaris meent dat het hoger beroep terecht ongegrond is verklaard. Bij een ongegrondverklaring wordt in beginsel geen proceskostenvergoeding toegekend. Het Hof mag van deze regel afwijken, maar is daartoe niet gehouden. Een nadere motivering is hiervoor niet vereist, aldus de Staatssecretaris.
5.Niet-preferentiële oorsprong van goederen (middel I)
vijf jaar nadat hij is ingesteldof
vijf jaar na de datum van beëindiging van het meest recente nieuwe onderzoekdat zowel op de dumping als op de schade betrekking heeft gehad,
tenzij bij een nieuw onderzoek wordt vastgesteld, dat
het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot een voortzetting of herhaling van dumping en schade zal leiden. Een nieuw onderzoek bij het vervallen van een maatregel wordt op initiatief van de Commissie dan wel op verzoek van of namens een bedrijfstak van de Gemeenschap geopend en
de maatregel blijft van kracht, totdat de resultaten van dit onderzoek bekend zijn.
de douanerechten, en
Transport Maatschappij Traffic [32] volgt dat antidumpingrechten onder de hiervoor genoemde “overige in het kader van andere communautaire voorschriften vastgestelde tariefmaatregelen” vallen. In punt 23 van dat arrest overwoog het HvJ:
de opstelling en de afgifte van oorsprongscertificaten.”
de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerkingheeft plaatsgevonden die
hetzijtot de fabricage van een
nieuw produktheeft geleid,
hetzijeen
belangrijk fabricagestadiumvertegenwoordigt.”
Brother International [36] – waar het nog ging om artikel 5 van Pro Verordening (EEG) nr. 802/68 [37] van de Raad van 27 juni 1968, de voorloper van artikel 24 van Pro het CDW – dat betrekking had op de enkele assemblage van kant en klaar ingevoerde onderdelen van elektronische schrijfmachines –, het volgende (met mijn cursivering): [38]
laatste ingrijpende verwerking of bewerkinghet
doorslaggevende criteriumis. Deze uitlegging vindt overigens bevestiging in norm 3 van bijlage D.1 bij de Internationale Overeenkomst (…) Deze norm luidt als volgt: “Wanneer twee of meer landen betrokken zijn bij de produktie van goederen, wordt hun oorsprong bepaald volgens het criterium ‘ingrijpende verwerking’."”
Brother International [39] dat eenvoudige assemblagehandelingen niet kunnen worden aangemerkt als ingrijpende be- of verwerking (cursivering CE):
Niet als ingrijpende verwerking of bewerkingmogen worden beschouwd
de behandelingen die in het geheel niet of slechts in geringe mate bijdragen tot de essentiële kenmerken of eigenschappenvan de goederen, en met name de behandelingen die
uitsluitendbestaan uit één of meer van de volgende verrichtingen:
eenvoudige assemblagehandelingen;
eenvoudige assemblagehandelingen zijn te beschouwen die welke
geen personeel vergendat
bijzonder gekwalificeerdis
voor de betrokken werkzaamheden,
noch geperfectioneerd werktuig,
noch speciaalvoor de assemblage
uitgeruste fabrieken. Van
dergelijke handelingen kan niet gezegd worden, dat zij
bijdragen tot de wezenlijke kenmerken of eigenschappenvan de betrokken goederen.
vanuit technisch oogpunten gelet op de omschrijving van het betrokken goed
de bepalende produktiefase uitmaakttijdens
welke de bestemmingvan de
gebruikte samenstellende delen wordt geconcretiseerden het betrokken goed zijn
specifieke kwalitatieve eigenschappen verkrijgt”
Hoesch Metals and Alloys [41] . Het HvJ overwoog in dit arrest dat het voortgebrachte product eigenschappen moet hebben en een specifieke samenstelling moet vertonen die het vóór die bewerking niet bezat: (cursivering CE):
de laatste ver- of bewerking slechts “ingrijpend” isin de zin van artikel 24 van Pro het douanewetboek, wanneer het aldus
voortgebrachte product eigenschappen heeft en een specifieke samenstelling vertoontdie het
vóór die ver- of bewerking niet bezat.
Verrichtingen die de uiterlijke verschijningsvorm van een product beïnvloeden met het oog op het gebruik ervan,
zonderevenwel tot een
aanzienlijke kwalitatieve wijziging van de eigenschappenervan te leiden,
kunnen de oorsprongvan dat product
niet bepalen((…)Gesellschaft für Überseehandel, (…) punt 6; arrest van 23 februari 1984, Zentrag, 93/83, Jurispr. blz. 1095, punt 13, en arrest HEKO Industrieerzeugnisse, (…) punt 28).
Brother International(cursivering CE): [42]
met de door de assemblage verkregen toegevoegde waardeals
subsidiair criterium.
hoe groot de toegevoegde waarde moet zijn om bepalend te zijn voor de oorsprong van het betrokken produkt, moet als
uitgangspuntworden genomen, dat
alle betrokken assemblagehandelingen te zamen genomentot een
aanmerkelijke verhogingvan de
handelswaarde van het eindprodukt af fabriekmoeten leiden. Daarbij moet in ieder
afzonderlijk gevalworden nagegaan, of
de groottevan de in het land van assemblage toegevoegde waarde het
in vergelijking totde in andere landen toegevoegde waarde
rechtvaardigt, dat het land van assemblage als land van oorsprong wordt beschouwd.
geprefabriceerde, uit een
ander land afkomstige onderdelenniet om aan te nemen, dat het aldus verkregen produkt van oorsprong is uit het land van assemblage, wanneer de aldaar toegevoegde waarde
aanmerkelijk lageris dan de in het andere land toegevoegde waarde. In een dergelijk geval kan een toegevoegde waarde van minder dan 10% - welk cijfer overeenkomt met de door de Commissie in haar opmerkingen gemaakte raming — in geen geval voldoende worden geacht om aan te nemen, dat het eindprodukt van oorsprong is uit het land van assemblage.”
Hoesch Metals and Alloys [46] leid ik af dat deze list rules slechts hulpmiddelen – en derhalve niet bindend – zijn. [47] Het HvJ overwoog (cursivering CE): [48]
toepasbaarheidvan de
list rulesbetreft, zij eraan herinnerd dat het Hof in zijn arrest van 10 december 2009, HEKO Industrieerzeugnisse (C-260/08, Jurispr. blz. I‑00000, punten 20 en 21), heeft geoordeeld dat hoewel de door de Commissie
vastgestelde list rules ertoe bijdragen, de niet-preferentiële oorsprong van goederen te bepalen, zij rechtens niet bindend zijn. De inhoud van deze regels moet derhalve
in overeenstemming zijnmet de
oorsprongsregels, zoals die welke in artikel 24 van Pro het douanewetboek is vervat, en mag de
strekking daarvan niet wijzigen. Deze beoordeling geldt ook voor de aantekeningen.
be- of verwerkingen vaststaatof op grond van vastgestelde feiten het
vermoeden is gewettigddat
daarmee slechts ontduiking wordt beoogdvan de
bepalingendie in de Gemeenschap op
goederen uit bepaalde landen van toepassing zijn, kunnen de
daardoor verkregen goederenin
geen gevalworden geacht op grond van artikel 24 van Pro
oorsprongte zijn
uit het landwaar deze
be- of verwerkingenhebben plaatsgevonden.”
6.Artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW (middel II)
preferentiële statusvan de goederen aan de hand van een systeem van administratieve samenwerking wordt vastgesteld waarbij instanties van een derde land betrokken zijn, wordt de afgifte door deze instanties van een onjuist certificaat aangemerkt als een vergissing, in de in de eerste alinea bedoelde zin, die redelijkerwijze niet kon worden ontdekt.
echter niet als een vergissingaangemerkt, wanneer het certificaat gebaseerd is op een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur, behalve indien met name de instanties die het certificaat afgaven klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen.
preferentiële behandelinggeëerbiedigd werden.
evenwelgeen goede trouw inroepen wanneer de Commissie een bericht in het
Publicatieblad van de Europese Gemeenschappenheeft bekendgemaakt volgens hetwelk er gegronde twijfel bestaat ten aanzien van de juiste toepassing van de preferentiële regeling door het begunstigde land;”
Voor het bijzondere gevalvan de
preferentiële regelingenmoeten de begrippen “vergissing van de douaneautoriteiten” en “goede trouw van de belastingschuldige” gedefinieerd worden; de belastingschuldige moet niet verantwoordelijk worden gesteld voor een gebrek in het systeem dat is veroorzaakt door een vergissing van de autoriteiten van een derde land. De afgifte van een onjuist certificaat door die autoriteiten moet evenwel niet als een vergissing worden beschouwd als het certificaat is gebaseerd op een verzoek dat onjuiste informatie bevat. De onjuistheid van de door de exporteur in zijn verzoek verstrekte informatie moet worden beoordeeld op basis van alle in dat verzoek vermelde feiten. De belastingschuldige kan zijn goede trouw inroepen wanneer deze kan aantonen dat hij blijk heeft gegeven van zorgvuldigheid, behalve wanneer in het
Publicatieblad van de Europese Gemeenschappeneen bericht is bekendgemaakt volgens hetwelk gegronde twijfel bestaat.
”
Mecanarte [52] dat de vergissingen (met mijn cursivering):
alle vergissingen omvatteninzake de uitlegging of de toepassing van de voorschriften betreffende de
rechten bij invoerof bij uitvoer, die de belastingschuldige niet redelijkerwijze kon ontdekken, wanneer zij het gevolg zijn van een
actieve gedraging, hetzij van de tot navordering
bevoegde autoriteiten, hetzij van de autoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer.
Uitgeslotenzijn derhalve de vergissingen die zijn veroorzaakt door onjuiste verklaringen van de belastingschuldige, behoudens de gevallen waarin de onjuistheid van die verklaringen slechts het gevolg zou zijn van door de bevoegde autoriteiten verstrekte onjuiste gegevens waaraan die autoriteiten gebonden zijn.”
Mecanarte(punt 22) en
Faroe Seafood(punt 88) dat autoriteiten van het land van uitvoer die zijn betrokken bij de overlegging van gegevens die in aanmerking worden genomen bij de heffing van de douanerechten, zijn te beschouwen als bevoegde autoriteiten.
Faroe Seafood [57] kan mijns inziens niet slagen. In punt 3 van dat arrest is het volgende overwogen (met mijn cursivering):
artikel 2, lid 2, en bijlage II bij verordening nr. 2051/74worden schaal-, schelp- en weekdieren van oorsprong en van herkomst uit de Faeröer vrij van douanerechten in het Verenigd Koninkrijk ingevoerd. Krachtens
artikel 5, lid 2, van deze verordening, thans artikel 4, lid 2, (…) is
de toepassing van de tariefverlagingen afhankelijk van
de overlegging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1, dat
door de bevoegde autoriteitenvan de Faeröer
wordt afgegeven bij de uitvoervan de goederen waarop het betrekking heeft. In
verordening nr. 3184/74zijn de
criteria neergelegd waaraan de goederen moeten voldoen om
als van oorsprong uit de Faeröer te worden beschouwd. (…)”
Nederlandsedouaneautoriteiten zich hebben vergist. In de onderhavige zaak is tussen partijen niet in geschil dat de Nederlandse douaneautoriteiten, indien zij zich (mogelijk) hebben vergist, bevoegde autoriteiten zijn in de zin van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW. Aan voorwaarde (1a) (genoemd in punt 6.7) is derhalve voldaan.
DP Grup [58] leid ik af dat de douaneautoriteiten niet de verplichting hebben om stelselmatig aangiften ten invoer te controleren en indien geen verificatie wordt uitgevoerd, de invoer in het vrije verkeer plaatsvindt aan de hand van de op de aangifte vermelde informatie. Het is de verantwoordelijkheid van de aangever om er voor te zorgen dat de informatie in de aangifte juist is. Zie de punten 37 tot en met 39 van
DP Grup:
HR BNB 2009/284 [59] gingen de douaneautoriteiten gemiddeld twee of drie keer per jaar over tot daadwerkelijk opname van de goederen, zonder dat dat tot correcties heeft geleid. Dit was de actieve gedraging en niet het stilzitten van de douane, zodat belanghebbende tevergeefs op dat arrest een beroep doet.
Van Gend & Loos/Commissie [60] .
7.Bijstand ter zitting (middel III)
derde cassatiemiddelfaalt derhalve.
HR BNB 2014/154en
HR BNB 2016/217 [67] .