Conclusie
1.[verweerder 1],
[verweerster 2],
"(...) Mijn dochter heeft het pand aan de [a-straat 1] gekocht. Zij kon hiervoor geen hypothecaire lening krijgen. Haar aanvraag werd door de bank afgewezen. Ik heb toen geld geleend en dat geld aan mijn dochter geleend. Mijn dochter betaalt mij hiervoor rente (4% per jaar). (...) De boerderij in [plaats] is een beleggingsobject van Jurisgroep (...) de suggestie dat mijn dochter op de boerderij een paardenpension zou zijn begonnen en dat ik de boerderij voor haar zou hebben gekocht is dus niet juist. De boerderij is door Jurisgroep aangekocht met de bedoeling om deze als pensionstal door te verkopen.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
alle van belang zijnde omstandighedenrekening kan houden [8] . De rechter mag bij de afweging van de wederzijdse belangen geen relevante omstandigheden buiten beschouwing laten, zo oordeelde Uw Raad in
Haagoort/Leeuwenburg [9] . Omstandigheden die niet relevant zijn, zoals louter toekomstige omstandigheden en belangen die losstaan van het beoogde dringende gebruik, mag de rechter wel buiten beschouwing laten [10] .
in ruime matezal moeten prevaleren. Het verhuurdersbelang moet dermate dringend zijn, dat de continuatie van de huur niet van de verhuurder kan worden gevergd [12] . De Wijkerslooth-Vinke meent dat de rechter zich niet altijd in deze strenge zin uitdrukt, maar dat duidelijk is dat de verhuurder de omvang van zijn stelplicht moet afstemmen op de belangen van de huurder. Indien de belangen van de huurder om de woning niet te hoeven verlaten op het eerste gezicht zwaarwegend zijn, dan kan dat betekenen dat hogere eisen gelden voor de stelplicht van de verhuurder. Omgekeerd worden ook aan het verweer van de huurder hoge eisen gesteld, wanneer de belangen van de verhuurder zwaarwegend zijn. De beoordelingsvrijheid van de feitenrechter op dit vlak is groot [13] .
Reinders/Ebbens [15] . Daarin is uitgemaakt dat dringend eigen gebruik van de verhuurder als ‘drempelvereiste’ fungeert naast de opvolgend uit te voeren belangenafweging tussen verhuurder en huurder. Komt de verhuurder niet over de drempel van dringend nodig hebben voor eigen gebruik, dan komt men niet toe aan de belangenafweging tussen verhuurder en huurder [16] . Dit kan maken dat de verhuurdersbelangen twee keer een rol spelen: eerst bij de drempeltoets of überhaupt sprake is van dringend eigen gebruik voor de verhuurder en vervolgens bij de afweging van de wederzijdse belangen tussen verhuurder en huurder [17] . Overigens kunnen deze wederzijdse belangen ook bij de beoordeling van de passende woonruimte een dominante rol spelen [18] . In de praktijk kan hier dus zonder schending van rechtsregels sprake zijn van overlap; er bestaan geen ‘waterdichte schotten’ tussen, zoals A-G Strikwerda het treffend uitdrukt in zijn genoemde conclusie vóór
Reinders/Ebbens. In gelijke zin A-G Wissink in zijn conclusie vóór
Moskito Film/Noord-Invest [19] . Met dit alles op het netvlies is het oordeel evenmin onbegrijpelijk.
Overmeijer/Kencgaf geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting dat in het rechtbankoordeel besloten lag dat andere passende woonruimte beschikbaar is en dat de belangen van de huurder daarom moesten wijken [23] . Dit was een samentrekking van de beschikbaarheid van passende woonruimte voor de huurder en de belangenafweging. Dat is in onze zaak ook gebeurd. Kennelijk heeft het hof in zijn oordeelsvorming omtrent de belangenafweging in rov. 3.8 ook zijn oordeel omtrent de beschikbaarheid van passende woonruimte voor [verweerders] meegenomen en dat kan.
gelijksoortigepassende woonruimte zoals verdedigd door [verweerders] bij wijze van verweer, dit onjuist is nu het in het kader van art. 7:274 lid 1 onder Pro c BW niet aankomt op soortgelijke passende woonruimte zoals vroeger onder de vigeur van de Huurwet, maar gaat om ‘passende woonruimte’; vgl.
Best/Best [31] : onder ‘andere passende woonruimte’ wordt niet verstaan een huurwoning tegen een gelijke huurprijs en met hetzelfde huurgenot, waaronder de mogelijkheid tot het houden van paarden. Indien het hof dit niet heeft miskend, is sprake van een motiveringsgebrek nu [verweerders] alleen hebben gesteld dat er geen ‘gelijksoortige passende woonruimte’ voor hen beschikbaar is en niets hebben gesteld over voorhanden ‘passende woonruimte’.
Overmeijer/Kenc [33] , waaruit volgt dat bij de beoordeling of van beschikbare woonruimte blijkt mag meewegen wat de huurder heeft gedaan of nagelaten om die te vinden. Zo het hof dit niet heeft veronachtzaamd, is sprake van een motiveringsgebrek, gelet op het door [eiseres] bij inleidende dagvaarding onder 16 en mvg onder 54 gestelde en de omstandigheid dat uit het door [verweerders] aangevoerde geen andere conclusie is te trekken dan dat zij op dit vlak helemaal niets hebben ondernomen.
Overmeijer/Kencblijkt dat de rechter bij de vraag naar gebleken andere passende woonruimte voor de huurder mede gewicht
mag(dus niet: moet) toekennen aan de omstandigheid dat de huurder – hoewel hij op de hoogte is van de dringende behoefte van de verhuurder – onvoldoende eigen activiteit heeft ontplooid om zelf passende woonruimte te vinden [34] . Bovendien berust de rechtsklacht op een verkeerde lezing van het arrest. Bezien wij namelijk de hele passende woonruimte toets van het hof uit rov. 3.8 (vanaf: ‘Ten slotte is niet gebleken dat...’), dan volgt daaruit dat het hof meent dat het enkele gegeven dat [verweerders] zich niet bijzonder hebben ingespannen om vervangende woonruimte te verwerven in dit geval geen afbreuk doet aan de door het hof geconstateerde omstandigheid dat [eiseres] onvoldoende heeft aangetoond dat gebleken is van passende woonruimte voor [verweerders] Daarin ligt niet besloten dat het maar beperkt naar passende woonruimte zoeken überhaupt niet mee kan wegen. Het heeft alleen geen invloed op het feit dat [eiseres] heeft volstaan met de niet nader toegelichte stelling dat er passende woonruimte voor [verweerders] beschikbaar is.
Van Weert/Ruis [35] .
subonderdelen 5.1 – 5.4en richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.8 over de financiële situatie van [eiseres]. In verschillende varianten klaagt dit onderdeel in de kern dat geen rekening mocht worden gehouden met de financiële situatie van [eiseres] anders dan in samenhang met het verhuurde. Dat is naar ik meen tevergeefs voorgesteld.
actuele situatie– te weten de (relevante) belangen die aanwezig zijn ten tijde van de rechterlijke uitspraak [40] . Het hof betrekt de aanschaf van het chalet in rov. 3.8 alleen bij de (moeizame) financiële situatie van [eiseres], die eveneens moet worden beoordeeld aan de hand van de actuele situatie. Nu de gedingstukken geen aanwijzing bevatten dat het chalet niet langer in bezit van [eiseres] zou zijn, valt niet in te zien waarom het hof in het kader van de financiële situatie van [eiseres] geen rekening had mogen houden met (de aanschaf van) het chalet. [eiseres] heeft bij het schetsen van haar financiële situatie immers ook zelf (de kosten voor) het chalet meegenomen [41] . [eiseres] stelt in dit verband dat na ommekomst van de wachtperiode van drie jaar uit art. 7:274 lid 5 sub b BW Pro de aankoop van het chalet geen betekenis meer zou kunnen hebben. Hiervoor werd al gezien dat na ommekomst van de wachtperiode van drie jaar alleen de bekendheid van de verhuurder ten tijde van de aanschaf van het verhuurde met het feit dat de huurder het verhuurde niet zou willen verlaten geen rol meer mag spelen (ten nadele van de verhuurder) bij de belangenafweging. Alle andere relevante omstandigheden van het geval (waaronder de actuele financiële situatie van [eiseres]) blijven na het verlopen van de driejarige wachttermijn gewoon meewegen. Daarop stranden de klachten.
algehelefinanciële situatie van [eiseres] als verhuurder moet meewegen in de beoordeling of sprake is van een dringende financiële reden (cva 12 iv). In dit kader hebben zij gewezen op het feit dat [eiseres] eveneens eigenaresse is van het chalet in Hollandsche Rading. [eiseres] heeft daarop gereageerd (mvg 21) en heeft zelf (de kosten voor) het chalet ook meegenomen in de weergave van haar financiële situatie (mvg 33 en prod. 11). Op deze geschetste financiële situatie van [eiseres] hebben [verweerders] weer gereageerd (mva 18-27). Hieruit volgt dat het tweede deel van de klacht eveneens faalt.
Erdogan-arrest [42] volgt dat het feit dat de verhuurder de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat hij de verhuurde woonruimte dringend nodig heeft voor eigen gebruik zelf in het leven heeft geroepen, op zichzelf niet in de weg hoeft te staan aan een geslaagd beroep op dringend eigen gebruik. Maar dat kan wel een rol spelen bij de belangenafweging [43] . Dat speelt in onze zaak ook. Van onbegrijpelijkheid is geen sprake.