ECLI:NL:PHR:2016:1270

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 2016
Publicatiedatum
19 december 2016
Zaaknummer
15/04930
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81.1 ROArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt voorbedachte raad en medeplegen in Harlinger moordzaak

Op 20 mei 2013 vond in Harlingen een langdurige reeks geweldsincidenten plaats waarbij het slachtoffer door verdachte en medeverdachte met vuisten, schoppen en een honkbalknuppel werd mishandeld. Het slachtoffer overleed aan de opgelopen letsels.

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor moord en in hoger beroep voor medeplegen van moord. Het hof oordeelde dat sprake was van voorbedachte raad, omdat het geweld zich over meerdere uren uitstrekten met verschillende beslismomenten en rustmomenten waarin de verdachte zich kon beraden.

De raadsman voerde in cassatie aan dat de voorbedachte raad niet bewezen kon worden omdat de dodelijke verwondingen pas in het laatste geweldsincident waren toegebracht, los van eerdere incidenten. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat het hof de geweldsincidenten terecht als één samenhangend geheel heeft gezien.

De Hoge Raad benadrukte dat voorbedachte raad vereist dat de verdachte gelegenheid heeft gehad zich te beraden en dat het hof dit op voldoende wijze heeft gemotiveerd. Het oordeel van het hof dat verdachte en medeverdachte bewust hebben gekozen hun voorgenomen besluit tot doden uit te voeren, is niet onbegrijpelijk.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond, bevestigde de bewezenverklaring van medeplegen moord met voorbedachte raad en liet de strafrechtelijke gevolgen van het hof in stand.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling voor medeplegen moord met voorbedachte raad en verwierp het cassatieberoep.

Conclusie

Nr. 15/04930
Zitting: 15 november 2016
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 1 oktober 2015 de verdachte wegens “medeplegen van moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Deze zaak hangt samen met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (nr. 15/04670), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelbehelst de klacht dat het hof een verweer van de raadsman van de verdachte dat ertoe strekt dat voorbedachte raad niet kan worden bewezen ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft verworpen.
Deze zaak, die in de (lokale) media bekend staat als de “Harlinger moordzaak”, gaat om het volgende. Op 20 mei 2013 zaten de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte], die op dat moment beiden bij [slachtoffer] in huis woonden, in de tuin van de woning van [slachtoffer] in Harlingen samen met [slachtoffer] en [betrokkene 1] te kijken naar de Elfstedentocht voor motoren, die die dag werd verreden. Op enig moment is er een ruzie ontstaan tussen de verdachte en [slachtoffer], die later op de avond steeds verder is geëscaleerd. Daarbij heeft [medeverdachte] een aluminium honkbalknuppel tevoorschijn gehaald, waarmee de verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer] gedurende een periode van enkele uren in elkaar hebben geslagen. Vervolgens hebben de verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer] in ernstig gewonde toestand achtergelaten in zijn woning, waarna deze uiteindelijk is overleden. In eerste aanleg heeft de rechtbank de verdachte ter zake van moord veroordeeld, terwijl de verdachte in hoger beroep is veroordeeld ter zake van medeplegen van moord.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 20 mei 2013 te Harlingen (in een woning gelegen aldaar aan de [a-straat]) tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en/of zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,
- [slachtoffer] meermalen met kracht met gebalde vuisten tegen het gezicht en op het hoofd en tegen andere lichaamsdelen geslagen en
- [slachtoffer] (terwijl hij op de grond lag) meermalen met kracht met geschoeide voeten tegen het hoofd en op het hoofd en in het gezicht en andere lichaamsdelen geschopt/getrapt/gestampt en
- [slachtoffer] meermalen met kracht met een honkbalknuppel tegen het hoofd en in het gezicht en tegen de hals en tegen de rug en de buik en benen en armen en ribben en heupen geslagen,
ten gevolge van welk fors uitwendig geweld voornoemde [slachtoffer] is overleden.”
7. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
(i) De op de terechtzitting in eerste aanleg van 5 maart 2014 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:
“Ik was op 20 mei 2013 met [slachtoffer] en [betrokkene 1] aanwezig in en om de woning van [slachtoffer], gelegen aan de [a-straat] te Harlingen. De Elfstedentocht voor motoren was die dag. Om ongeveer 16:00 uur kwam [medeverdachte] er ook bij. We dronken bier en ik heb die dag cocaïne genomen. Eerst zaten wij in de voortuin en op een gegeven moment gingen we naar de achtertuin. Daar ontstond een ruzie tussen mij en [slachtoffer]. Ik heb hem met mijn vuist in zijn gezicht geslagen, waarna hij omviel. Om [slachtoffer] te laten schrikken heb ik kort een breekijzer in mijn handen gehad. [slachtoffer] is vervolgens de woning binnengegaan. [medeverdachte] en [betrokkene 1] haalden bier bij de supermarkt. Hierna bevond ik mij met [slachtoffer], [medeverdachte] en [betrokkene 1] in de woning. Er ontstond weer ruzie met [slachtoffer]. [betrokkene 1] sprong van de bank af en hield zijn hand bij de keel van [slachtoffer] en gaf hem nog een aantal klappen met de vuist op het gezicht. Op een gegeven moment had [medeverdachte] een honkbalknuppel in haar hand. Ze is vervolgens op [slachtoffer] afgestapt en heeft hem een paar klappen gegeven. Ik heb [slachtoffer] ook met de honkbalknuppel geslagen. Ik heb hem ook geschopt. Ik was kwaad. Ik heb [slachtoffer] ook met de knuppel tegen zijn hoofd geslagen. [betrokkene 1] verliet op een bepaald moment de woning. Hierna ging het echt verkeerd. [medeverdachte], [slachtoffer] en ik stonden in de hal. En [slachtoffer] werd meerdere keren met de knuppel en de vuist op zijn lichaam - van zijn knieën tot zijn nek - geslagen. [slachtoffer] lag op de grond. Ik heb hem tegen zijn hoofd geschopt. Ik heb hem tegen zijn rug geschopt, ook toen hij op de grond lag. Ik heb hem op zijn buik en zijn zij geslagen. [slachtoffer] heeft bijna niet meer gelopen nadat [betrokkene 1] was vertrokken. Het is nog wel enige tijd rustig geweest voordat het geweld verder ging. [slachtoffer] lag toen al naast de bank in de woonkamer. Hij kon niet overeind komen naar was wel bij bewustzijn. Ik kan mij niet herinneren dat hij nog iets heeft gezegd. Ik heb de knuppel weer gepakt en heb toen weer geslagen. Toen [medeverdachte] en ik de woning verlieten lag [slachtoffer] in de woonkamer te snurken. Hij leefde nog maar zat wel onder het bloed. We zijn in het autootje van [medeverdachte] naar de begraafplaats gegaan en hebben de honkbalknuppel bij het graf van de overleden vriendin van [medeverdachte] achtergelaten. We hebben ook geld gepind en zijn naar café [A] gegaan. Ik ben nog naar [betrokkene 1] geweest om hem op te halen. Ik heb gezegd: “Volgens mij is hij dood”. Ik ben na het bezoek aan het café met [medeverdachte] naar de woning teruggekeerd. Op 21 mei 2013 om 00:42 uur heb ik 112 gebeld en gemeld dat er een dood persoon in de woning lag.
Toen [betrokkene 1] de woning verliet heb ik hem bij de deur de hand geschud. [medeverdachte] zat mij voortdurend aan te moedigen en op te ruien om [slachtoffer] te slaan. Dit heeft invloed op mij gehad. Als [medeverdachte] niet met de knuppel was binnengekomen, was dit niet gebeurd.
Het getreiter van [slachtoffer] vond in de middag plaats. Toen ik hem schopte en sloeg, zei hij niet veel meer. Ook niet nadat de knuppel erbij was gekomen.”
(ii) Een op 22 mei 2013 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:
“We zaten afgelopen maandag met zijn drieën buiten. [medeverdachte] kwam rond 16:00/16:30 uur erbij. Op een gegeven moment gaan we naar binnen. [slachtoffer] zat ons te kleineren. Ik weet niet meer wat hij zei. [slachtoffer] had het over [medeverdachte], wat ze daar doet, dat hij liever heeft dat ze naar de camping zou gaan. [slachtoffer] had het ook over het neefje van [betrokkene 1]. [slachtoffer] zat erover door te zagen en toen gaf [betrokkene 1] [slachtoffer] uiteindelijk ook een paar klappen. Ik ging uit mijn plaat. Ik sloeg [slachtoffer] met mijn rechtervuist op zijn gezicht. Hij klapte door de benen op zijn zij en toen op zijn rug volgens mij, of andersom. Hij viel als een plank op de grond. Ik weet niet hoe laat het was toen [betrokkene 1] wegging. Daarna heb ik hem een paar klappen gegeven tegen zijn linkerzij. Hij lag toen plat op zijn rug. Ik zag dat [medeverdachte] hem ook een paar trappen gaf, tegen zijn linkerzij en tegen zijn hoofd. Ik gaf hem ook trappen tegen zijn hoofd. [medeverdachte] kwam met een honkbalknuppel. Ik zag dat [medeverdachte] hem sloeg met die knuppel. [slachtoffer] lag nog steeds. Ze sloeg hem op zijn gezicht, op zijn buik, op zijn hoofd. Ik pakte haar die knuppel af en toen heb ik hem zelf geslagen met die knuppel. Ik heb hem geslagen op de buik, bij die striemen en tegen zijn gezicht. In het begin was [slachtoffer] bij kennis. Hij ademde nog. Toen wij weggingen was hij ook nog aan het ademen. [slachtoffer] kon niet meer praten, maar hij ademde wel. Hij verweerde zich niet. Hij bewoog niet. Ik zag dat zijn borst/buik bewoog van het ademhalen. Ik heb geen flauw idee hoe vaak en waar ik [slachtoffer] precies raakte. [medeverdachte] trapte hem volgens mij met de linkervoet tegen zijn gezicht. Ze stampte hem op het gezicht ter hoogte van zijn neus en zijn mond. Ze was heel boos. Ze schreeuwt als ze boos is. Dat deed ze toen ook.
Ik ben heel makkelijk beïnvloedbaar en dan zijn er mensen die zeggen: “Doorgaan, doorgaan, doorgaan”. Dat zei [medeverdachte] afgelopen maandag ook.”
(iii) De op de terechtzitting in hoger beroep van 17 september 2015 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:
“[medeverdachte] gaf [slachtoffer] ook klappen. Ze schopte hem en ze sloeg hem. De knuppel ging over en weer. [slachtoffer] lag toen voor de bank. Hij kon niks meer. [medeverdachte] riep tegen mij ‘Doorgaan, doorgaan’.”
(iv) Een op 22 mei 2013 bij de politie afgelegde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte], voor zover inhoudende:
“[verdachte], [betrokkene 1] en [slachtoffer] zaten in de voortuin toen ik thuis kwam. [verdachte] begon [slachtoffer] op een gegeven moment te bedreigen. “Ik pak je straks”, zei hij tegen [slachtoffer]. We zijn op een gegeven moment van de voortuin naar de achtertuin gegaan. [verdachte] begon [slachtoffer] te slaan. Het begon te motregenen. [betrokkene 1] en ik zijn naar de Jumbo gegaan om bier te halen. Toen ik terugkwam stond [slachtoffer] onder de douche. Het kwam erop neer dat [verdachte] [slachtoffer] sommeerde om naar beneden te komen. Ik ben duidelijk geweest dat ik [verdachte] met die honkbalknuppel heb zien slaan. Ik heb de schop gezien en toen [betrokkene 1] er zat zei [verdachte] tegen [slachtoffer]: “Ik sla je knieën kapot”. Hij sloeg toen aan de zijkant van [slachtoffer] zijn knieën. [slachtoffer] zei niks. Die klappen waren hard. Het is niet alleen gebleven bij slaan op de knieën. [verdachte] pakte de honkbalknuppel weer. [betrokkene 1] ging weg. Hij werd opgehaald door zijn vriendin.”
(v) Een op 23 mei 2013 bij de politie afgelegde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte], voor zover inhoudende:
“Ik ben even weggeweest. Ik kom terug en dan zie ik [slachtoffer] in het bloed in de hal liggen. [slachtoffer] lag met zijn hoofd achterover in een plas bloed. [slachtoffer] lag in de hal te snurken. Ik zei hem dat hij moest opstaan. [slachtoffer] stond zelf op en liep naar de woonkamer. Onderwijl kreeg hij van [verdachte] weer klappen op de kop. Ik zag dat hij viel in de woonkamer en dan zie ik dat [slachtoffer] twee striemen op zijn buik/zijde heeft. Ik zag ook dat [verdachte] hem daar sloeg. Hij zei "au, au". Als hij omhoog kwam kreeg hij weer een klap. Ik zag dat [slachtoffer] zijn achterhoofd in puin lag. Dit zag ik toen hij van de hal naar de woonkamer liep.”
(vi) Een op 22 mei 2013 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2], voor zover inhoudende:
“Rond 19:25 uur kreeg ik [betrokkene 1] aan de telefoon. Ik hoorde heel veel kabaal op de achtergrond. Hij vroeg aan mij of ik hem op kwam halen. Hij klonk heel angstig. Hij zei: “het loopt hier uit de hand, haal me bij [slachtoffer] weg, want daar zit ik”. Ik hoorde veel kabaal en kloink, kloink. Het klonk als iets wat tegen metaal aan sloeg. Ik ben in de auto gestapt en richting de [a-straat] gereden. Ik zag dat [betrokkene 1] naar buiten kwam. Ik zag dat [betrokkene 1] bij mij in de auto stapte. Ik hoorde dat [betrokkene 1] tegen mij zei: “Dit is niet normaal [betrokkene 2], dit is niet normaal”. Hij zei dat [verdachte] tegen het hoofd van [slachtoffer] aanschopte. Binnen ging het steeds verder en escaleerde het steeds meer. [betrokkene 1] heeft in eerste instantie de knuppel van [medeverdachte] (het hof begrijpt: verdachte [medeverdachte]) afgepakt. [medeverdachte] stond tegenover [slachtoffer] met de honkbalknuppel. [betrokkene 1] zei dat [medeverdachte] had gezegd, dat als [slachtoffer] niet ophield hij een klap met die honkbalknuppel zou krijgen.”
(vii) Een rapport pathologie van het Nederlands Forensisch Instituut van 5 september 2013, opgemaakt door de arts en patholoog P.M.I. Driessche, voor zover - voor de beoordeling van het middel van belang - inhoudende:
“(…)
Conclusie
Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1979, wordt het intreden van de dood zonder meer verklaard door verbloeding ten gevolge van talrijke letsels, bij leven opgelopen door meermalen heftige inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend, samendrukkend en deels schavend en krassend geweld. Mogelijk heeft verstikking bijgedragen aan het intreden van de dood.”
(viii) Een proces-verbaal van politie van 30 september 2013 betreffende “onderzoek [a-straat] Harlingen”, voor zover inhoudende :
“Op dinsdag 21 mei 2013 hebben wij verbalisanten, werkzaam bij de Forensische Opsporing, een onderzoek ingesteld naar aanleiding van een moord/doodslag van een man, waarvan door de politie Eenheid Noord Nederland proces-verbaal is opgemaakt.
Gelet op het aangetroffen sporenbeeld en de sporen op en aan het slachtoffer verklaren wij verbalisanten:
Het merendeel van de aangetroffen bloedspatpatronen, zoals op de keukenkastjes, in de hal en de woonkamer, op de banken en de wand achter het slachtoffer, gaven ons de indicatie dat deze waren ontstaan terwijl het slachtoffer zich laag bij de grond bevond.”
8. Zoals blijkt uit de bestreden uitspraak, heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde voorbedachte raad. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat [slachtoffer] zijn dodelijke verwondingen pas heeft opgelopen tijdens het laatste geweldsincident, dat heeft plaatsgevonden nadat [betrokkene 1] was vertrokken. Dit laatste geweldsincident moet geheel los worden gezien van de geweldsincidenten die eerder op die dag plaatsgevonden, aldus de raadsman. [1]
9. Het hof heeft mede in reactie op dit verweer in de bestreden uitspraak onder “overweging met betrekking tot het bewijs” het volgende overwogen:
“Door de raadsman is ter zitting van het hof betoogd, dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde voorbedachte raad. Verdachte erkent zich schuldig te hebben gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer].
Het hof overweegt hieromtrent het volgende en sluit zich voor de vastgestelde feiten grotendeels aan bij de overwegingen van de rechtbank. Het hof kan zich verenigen met de hierna (cursief) geciteerde overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.
Vastgestelde feiten
‘‘In de vroege middag van 20 mei 2013 hebben het latere slachtoffer [slachtoffer], verdachte en een derde persoon, [betrokkene 1], zich verzameld in de voortuin van de woning aan de [a-straat] in Harlingen, onder meer om te kijken naar de Elfstedentocht voor motoren.
Later in de middag, waarschijnlijk zo rond 16.00 uur, heeft de medeverdachte [medeverdachte] zich bij dit gezelschap gevoegd en is men naar de achtertuin verhuisd. In de achtertuin is vervolgens ruzie ontstaan tussen [slachtoffer] en verdachte, waarbij van de zijde van verdachte fysiek geweld is gebruikt.
Nadien is het gezelschap in de woonkamer gaan zitten. Hier is de ruzie weer opgelaaid, waarbij opnieuw door verdachte tegen [slachtoffer] fysiek geweld is gebruikt. Op enig moment is door [medeverdachte] een honkbalknuppel tevoorschijn gehaald. Verdachte heeft deze honkbalknuppel gebruikt om [slachtoffer] te slaan.
Rond 19.30 uur is [betrokkene 1] bij de woning opgehaald door zijn ex-vrouw, [betrokkene 2]. Na het vertrek van [betrokkene 1] is verdachte doorgegaan met het plegen van ernstig fysiek geweld tegen [slachtoffer], waarbij naast slaan en schoppen wederom is geslagen met de honkbalknuppel.
Later op de avond, waarschijnlijk zo rond 21.30 of 22.00 uur, hebben verdachte en [medeverdachte] de woning verlaten. [slachtoffer] was op dat moment ernstig gewond. Verdachte en [medeverdachte] hebben vervolgens de algemene begraafplaats, een pinautomaat en café [A] in Harlingen bezocht. Na het bezoek aan het café zijn zij gezamenlijk naar de woning van [slachtoffer] aan de [a-straat] te Harlingen teruggekeerd. Op 21 mei 2013 om 00.42 uur heeft verdachte vanaf deze woning 112 gebeld en bij de alarmdienst gemeld dat hij [slachtoffer] dood in de woning had aangetroffen. ”
(…)
Voorbedachte raad
Door de raadsman is ter zitting van het hof aangevoerd, dat de dodelijke verwondingen pas zijn opgelopen tijdens het laatste geweldsincident dat plaatsvond in de woonkamer nadat [betrokkene 1] was vertrokken. Dit laatste incident moet geheel los worden gezien van de geweldsincidenten die eerder die dag plaatsvonden. Gelet hierop is er geen sprake van voorbedachte raad en dient verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.
Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er vanaf de namiddag van 20 mei 2013 sprake is geweest van een agressieve houding van in eerste instantie alleen [verdachte] en later ook van [medeverdachte] jegens het slachtoffer, die zich op een aantal momenten heeft geuit in uitbarstingen van hevig geweld. In ieder geval vanaf het moment dat [medeverdachte] de knuppel inbracht om deze tegen [slachtoffer] te gebruiken en deze door verdachte en [medeverdachte] ook daadwerkelijk gebruikt is tegen het slachtoffer, is het geweld qua intensiteit en door het inzetten van het slagwapen zodanig geïntensiveerd, dat vanaf dat moment gesproken kan worden van potentieel dodelijk geweld. Zoals hiervoor reeds is overwogen moet verdachte zich dat hebben gerealiseerd. Dit moment van inbrengen en gebruiken van de knuppel tegen [slachtoffer] is ergens voor 19:30 uur, in ieder geval vóór het vertrek van [betrokkene 1] geweest.
Zo al moet worden aangenomen dat de eerste slagen met de honkbalknuppel zijn voortgekomen uit een plotselinge opwelling of hevige gemoedsbeweging, geldt dat voor de rest van de avond, na het vertrek van [betrokkene 1], in ieder geval niet meer. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat het geweld enige tijd gestopt is op en na het moment dat [betrokkene 1] de woning verliet. Verdachte heeft in de tussenliggende tijd voldoende gelegenheid gehad om te kalmeren, hetgeen ook blijkt uit de rustige wijze waarop bij het vertrek van [betrokkene 1] afscheid van elkaar is genomen (er werden handen geschud). Ook na het vertrek van [betrokkene 1] is het nog enige tijd rustig geweest, zodat het redelijk is om aan te nemen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van deze gelegenheid om zich rekenschap te geven van de betekenis en gevolgen van zijn handelen en dat van [medeverdachte] indien het eerder gepleegde geweld op dezelfde wijze zou worden voortgezet. Toch is vervolgens weer hevig geweld uitgeoefend tegen [slachtoffer].
Ook later op de avond zijn er gelegenheden geweest voor verdachte om zich te bezinnen op zijn gedrag en dat van [medeverdachte]. Immers uit de verklaring van [medeverdachte] blijkt dat zij, nadat het daarna weer rustig was geworden, wederom met haar hondje is gaan lopen, en dat zij, toen zij terugkwam, het slachtoffer hevig bloedend liggend op de grond van de hal aantrof. [verdachte] was op dat moment niet bezig het slachtoffer te mishandelen. Uit de bewijsmiddelen blijkt hoe ernstig [slachtoffer] er toen reeds aan toe was. Het slachtoffer is daarna terecht gekomen op de grond naast de bank in de woonkamer. Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat het slachtoffer op dat moment weliswaar nog leefde maar tot niks meer in staat was. Hieruit blijkt dat het voor verdachte duidelijk moet zijn geweest hoe ernstig het slachtoffer er aan toe was. Bovendien acht het hof het gelet op voorgaande onmogelijk dat [slachtoffer] op dat moment nog enige (nieuwe) aanleiding tot geweld heeft kunnen geven. Toch is daarna nogmaals hevig geweld uitgeoefend op het slachtoffer door verdachte en door [medeverdachte].
Uit het voorgaande volgt dat zich hier niet de situatie heeft voorgedaan waarbij verdachte pas kort voor of tijdens de uitvoering van de laatste door verdachte en/of [medeverdachte] gepleegde gewelddadigheden tot het besef kan zijn gekomen dat hun handelen de dood van het slachtoffer tot gevolg zou kunnen hebben. Integendeel, dat besef moet er bij verdachte al in een vroeg stadium, in ieder geval vanaf het vertrek van [betrokkene 1], zijn geweest. Het verweer van de raadsman dat de dodelijke verwondingen pas zijn toegebracht tijdens het laatste geweldsincident, mist feitelijke grondslag. Het hof ziet de verschillende geweldsmomenten ook niet als losstaande incidenten (waarbij telkens weer sprake was van een plotselinge gemoedsbeweging, zoals de raadsman stelde). Ondanks de meerdere gelegenheden om zich rustig over hun handelen te beraden, hebben verdachte en [medeverdachte] er kennelijk welbewust voor gekozen om hun voorgenomen besluit om het slachtoffer om het leven te brengen, ten uitvoer te leggen. Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat er bij verdachte en [medeverdachte] op enig moment na het vertrek van [betrokkene 1] sprake was van voorbedachte raad.”
10. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
11. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door het hof, waarbij het hof het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, maar behoeft het hof er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient het hof, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.
12. In geval vaststaat dat de verdachte de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft gehad, is het redelijk aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. In dat verband kan worden gewezen op het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling. [2]
13. In de hiervoor onder 9 weergegeven overwegingen heeft het hof geoordeeld dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, aangezien de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] er welbewust voor hebben gekozen om hun voorgenomen besluit om [slachtoffer] om het leven te brengen ten uitvoer te leggen, hoewel zij herhaaldelijk in de gelegenheid zijn geweest om zich rustig over hun handelen te beraden. Dit oordeel geeft gelet op hetgeen hiervoor onder 10 tot en met 12 is vooropgesteld geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook overigens heeft het hof het in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde toetsingskader tot uitgangspunt genomen. In het licht van de hiervoor onder 7 weergegeven inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in samenhang bezien met de nadere bewijsoverwegingen van het hof, is het oordeel evenmin onbegrijpelijk.
14. Daarbij wijs ik op het volgende. Het hof heeft een uitgebreide motivering gewijd aan de voorbedachte raad van de verdachte en daarin uiteengezet dat in het handelen van de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] verschillende fasen kunnen worden onderscheiden. Uit de bewijsvoering kunnen de volgende fasen worden afgeleid:
(i) Het geweld begint in de namiddag in de tuin van de woning aan de Domela Nieuwenhuisstraat 33 te Harlingen. Vanaf ongeveer 16:00 uur heeft het gepleegde geweld bestaan uit het slaan met gebalde vuisten en het schoppen met geschoeide voet tegen het hoofd en het lichaam van [slachtoffer].
(ii) Het geweld vindt nadien plaats in de woonkamer van de desbetreffende woning. Op enig moment vóór 19:30 uur heeft [medeverdachte] een honkbalknuppel ingebracht en hebben de verdachte en [medeverdachte] met deze knuppel tegen het hoofd en het lichaam van [slachtoffer] geslagen.
(iii) Rond 19:30 uur heeft [betrokkene 1] de woning verlaten, omdat hij het geweld niet langer kon aanzien, waarna de verdachte en [medeverdachte] alleen met [slachtoffer] in de woning waren. Vervolgens hebben de verdachte en [medeverdachte] weer hevig geweld tegen [slachtoffer] uitgeoefend, onder meer met de honkbalknuppel.
(iv) Tussen 21:30 uur en 22:00 uur hebben de verdachte en [medeverdachte] de woning verlaten, terwijl zij [slachtoffer], zwaar gewond en liggend op de grond hebben achtergelaten. Zij hebben de honkbalknuppel meegenomen en deze vervolgens neergelegd op een begraafplaats.
(v) Enige tijd later zijn de verdachte en [medeverdachte] teruggekeerd naar de woning en hebben zij geconstateerd dat de verdachte was overleden, waarna de verdachte omstreeks 00:42 uur het alarmnummer (112) heeft gebeld.
15. Uit het voorgaande volgt dat de verdachte en [medeverdachte] in de woning van [slachtoffer] urenlang ernstig geweld hebben gepleegd jegens de weerloze [slachtoffer] door hem over zijn gehele lichaam en tegen zijn hoofd te slaan en te schoppen en door [slachtoffer] met een honkbalknuppel van aluminium te slaan, onder meer op het moment dat hij op de grond lag, terwijl de verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer] in ernstig gewonde staat hebben achtergelaten. [slachtoffer] is overleden ten gevolge van de talrijke letsels die hij door dit geweld heeft opgelopen. Het hof heeft, anders dan de raadsman had bepleit, de geweldsincidenten niet los van elkaar gezien, maar met elkaar in verband gebracht. Een dergelijke langdurige tijdspanne is van belang in verband met het bestaan van gelegenheid zich te beraden. [3]
16. In HR 15 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5678 had het hof ten aanzien van zijn oordeel dat sprake was van voorbedachte raad vooral belang toegekend aan de geruime tijd die de verschillende in de bewijsoverweging nader omschreven handelingen van de verdachte in beslag hadden genomen, aan het ontbreken van enige aanwijzing voor de mogelijkheid dat het handelen van de verdachte het gevolg was geweest van enige ogenblikkelijke gemoedsbeweging en aan de aanwezigheid van aanwijzingen voor het tegendeel. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel dat de verdachte had gehandeld met voorbedachte raad aldus toereikend had gemotiveerd.
In HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3167,
NJ2016/112 m.nt. Rozemond had het hof het handelen van de verdachte eveneens in fasen onderscheiden. In de eerste fase handelde de verdachte volgens het hof in een plotselinge woede, in de tweede met voorbedachte raad. De Hoge Raad achtte het oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad had gehandeld toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat sprake was van een relevante langdurige tijdspanne, een samenstel van gedragingen en verschillende beslismomenten die zij in zich hadden.
17. In de bestreden uitspraak heeft het hof een redeneertrant gevolgd die in zekere zin doet denken aan die in de laatstgenoemde zaak. Ten aanzien van het ontbreken van contra-indicaties heeft het hof overwogen dat, zelfs als wordt aangenomen dat de eerste slagen met de honkbalknuppel uit een plotselinge opwelling of hevige gemoedsbeweging zouden zijn voortgekomen, dat na het vertrek van [betrokkene 1] in ieder geval niet meer geldt. Uit de bewijsvoering volgt dat ook nadien sprake is geweest van hevig geweld jegens [slachtoffer], waarbij onder meer gebruik is gemaakt van een honkbalknuppel. Het handelen van de verdachte en [medeverdachte] heeft zich afgespeeld gedurende een langdurige tijdsspanne, terwijl er sprake is geweest van een samenstel van gedragingen die verschillende beslismomenten in zich hadden. De verdachte en [medeverdachte] hebben verschillende keren de gelegenheid gehad te stoppen met hun gewelddadige handelingen, te meer omdat van [slachtoffer], liggend op de grond, geen gevaar te duchten viel. Daarbij komt dat het hof heeft vastgesteld dat het tussen de geweldshandelingen door op verschillende momenten “rustig was geworden” in de woning. Daarbij heeft het hof verwezen naar (i) de rustige wijze waarop afscheid is genomen van [betrokkene 1], (ii) de rustige tijd nadien en (iii) latere rustmomenten, onder meer ten tijde van het uitlaten van een hond door [medeverdachte]. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte en [medeverdachte] meermalen in de gelegenheid zijn geweest zich over hun handelen rustig te beraden, terwijl het hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk heeft aangenomen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van deze gelegenheid om zich rekenschap te geven van de betekenis en de gevolgen van zijn handelen en dat van [medeverdachte].
18. Aldus heeft het hof het in het middel bedoelde verweer op goede gronden en toereikend gemotiveerd verworpen. Gelet op hetgeen de raadsman van de verdachte ter onderbouwing van dit verweer heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. De bewezenverklaring is in zoverre voldoende met redenen omkleed. [4]
19. Zoals blijkt uit de toelichting, keert het middel zich meer in het bijzonder tegen de in de nadere bewijsoverwegingen besloten liggende vaststelling van het hof dat het latere geweld als een voortzetting van de eerdere geweldshandelingen moet worden beschouwd.
20. Deze vaststelling van het hof, die van feitelijke aard is, acht ik niet onbegrijpelijk. De gewelddadige handelingen hebben zich afgespeeld vanaf de middag tot in de loop van de avond, terwijl daarbij gedurende een aantal uren gebruik is gemaakt van een honkbalknuppel van aluminium en het slachtoffer op geen enkel moment de woning heeft kunnen verlaten. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, doet hieraan niet af dat het tussen de geweldshandelingen door op verschillende momenten “rustig” is geweest.
21. Het middel faalt.
22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Bij de stukken bevindt zich geen pleitnota van de raadsman, terwijl het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 september 2015 de inhoud van het door de raadsman gevoerde verweer niet vermeldt. Dit proces-verbaal houdt slechts in dat de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging heeft gevoerd.
2.Zie de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de vaststelling van het Wetboek van Strafrecht. Zie H.J. Smidt,
3.Zie in dit verband ook de noot van Rozemond onder HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3426,
4.Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1520, rov. 2, HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3167,