Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
5 juli 2016.
Hoge Raad
Op 29 januari 2014 vond in Maastricht een steekincident plaats waarbij het slachtoffer ernstig gewond raakte. Verdachte werd uit café [A] gezet na een ruzie en wachtte vervolgens samen met een medeverdachte nabij de ingang van de Leliestraat, waar het café is gelegen. Na enige tijd liep verdachte de Leliestraat in, klapte zijn mes uit en stak het slachtoffer met kracht in de buik.
Het hof verklaarde bewezen dat verdachte met voorbedachten rade handelde, omdat hij voldoende tijd had om na te denken over zijn daad en niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling handelde. Dit oordeel was gebaseerd op getuigenverklaringen, medische rapporten, en camerabeelden die het tijdsverloop en de gedragingen van verdachte duidelijk maakten.
De verdediging voerde aan dat de bewezenverklaring van voorbedachte rade onvoldoende gemotiveerd was, onder meer omdat verdachte niet continu zicht had op het slachtoffer en het slachtoffer via een andere uitgang had kunnen vertrekken. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof de omstandigheden juist had gewogen en dat de gelegenheid tot beraad voldoende was vastgesteld.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 juli 2015, waarin verdachte werd veroordeeld voor poging moord met voorbedachte rade.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het hofarrest en veroordeelt verdachte voor poging moord met voorbedachte rade.