“5.3 Subsidiair heeft klager zich op het standpunt gesteld dat de motivering van de rechtbank in de vernietigde beschikking thans juist is, nu het onderliggende vonnis van 25 februari 2014 onherroepelijk is geworden en dat toewijzing van een ontnemingsvordering (nog immer) hoogst onwaarschijnlijk is, gelet op de omstandigheden dat - zakelijk weergegeven - de vervolging in deze concrete zaak een trendbreuk vormt op het gedoogbeleid, dat er voor zorg is gedragen dat de coffeeshop paste in het lokale gedoogbeleid en aan de eisen van de lokaal opererende instanties voldeed, dat klager inzicht heeft gegeven in zijn financiën en dat geen - niet te verwachten - geldstromen zijn aangetroffen en hij is vrijgesproken van witwassen, en dat de coffeeshop een deugdelijke boekhouding heeft bijgehouden en dat aanzienlijke bedragen aan belasting zijn afgedragen.
De rechtbank heeft in haar - thans vernietigde - beschikking van 9 februari 2015 het volgende vastgesteld:
In het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank, gewezen op 25 februari 2014 (hierna: het vonnis) heeft de rechtbank overwogen dat coffeeshop ‘ Sky High ’ te Zwolle (hierna: de coffeeshop) bewust en expliciet is gedoogd op grond van de zogenaamde AHOJG-criteria uit de Aanwijzing Opiumwet (Stcrt. 2000, nr. 250 en 2010, nr. 20611).
De rechtbank heeft in voormeld vonnis voorts overwogen dat uit de stukken van het dossier blijkt dat [klager] vanaf de opening van de coffeeshop zeer nauw betrokken is geweest bij de exploitatie van de coffeeshop en dat zijn werkzaamheden zo nauw verweven zijn geweest met de werkzaamheden van de exploitante van de coffeeshop, te weten [klaagster] , en zijn rol in het geheel aldus dermate groot is geweest dat hij ook met succes een beroep kan doen op de verleende gedoogvergunning.
In de hierboven genoemde ‘Aanwijzing Opiumwet’ is onder het kopje “Strakker gedoogbeleid’ weergegeven dat de maximale handelsvoorraad van gedoogde coffeeshops de 500 gram niet te boven mag gaan. In het vonnis heeft de rechtbank bewezenverklaard dat [klager] meer dan de hiervoor genoemde handelsvoorraad - door middel van stashes - aanwezig heeft gehad in en buiten de coffeeshop. Tegelijkertijd heeft de rechtbank overwogen dat de vervolging in deze concrete zaak een trendbreuk vormt op het sinds jaar en dag gevolgde gedoogbeleid, waarbij geen acht werd geslagen op de bevoorrading aan de achterdeur of de aanwezigheid van voorraden buiten de coffeeshop.
Op basis van de overwegingen uit het hiervoor genoemde strafvonnis heeft de rechtbank geconcludeerd dat er in het verleden steeds zorg voor is gedragen dat de coffeeshop ‘ Sky High ’ paste in het lokale gedoogbeleid en dat zij aan de eisen van alle lokaal opererende instanties voldeed. Tevens heeft de rechtbank in voormeld strafvonnis geoordeeld dat [klager] inzicht heeft gegeven in zijn financiën, die vastgelegd zijn in een echtscheidingsconvenant, en dat op basis van het strafrechtelijk onderzoek geen - niet te verwachten - geldstromen zijn aangetroffen anders dan door [klager] zelf reeds aangegeven. De rechtbank heeft [klager] vrijgesproken ter zake van witwassen.
Ter zitting in raadkamer is onweersproken naar voren gebracht dat de coffeeshop ‘ Sky High ’ een deugdelijke boekhouding heeft bijgehouden en dat aanzienlijke bedragen aan belasting zijn afgedragen. Van illegale geldstromen is niets gebleken. De hoge omzetten van de coffeeshop waren aldus bij de overheid bekend en over de omzet is telkens belasting betaald.
De rechtbank aanvaardt deze vaststelling nog immer als juist. Voornoemde omstandigheden doen er echter niet aan af dat er tegen klager een inmiddels onherroepelijk geworden veroordelend vonnis ligt op grond waarvan in beginsel een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig kan worden gemaakt, hetgeen inmiddels ook feitelijk aan de orde is. In de ontnemingsprocedure zijn schriftelijke rondes gelast en op 2 juni 2016 staat een regiezitting gepland. Gelet op deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet hoogst onwaarschijnlijk dat de ontnemingsrechter, later oordelend, aan klaagster een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Deze verplichting kan namelijk ook worden opgelegd indien - zoals in dit geval - in de strafzaak sprake is van een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Bij de beoordeling van de ontnemingsvordering zal ook betrokken dienen te worden de vraag of sprake is van wederrechtelijk voordeel, verkregen uit het strafbare feit waarvoor is veroordeeld, dan wel uit andere strafbare feiten, en zo ja, of er redenen zijn het te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte voordeel, waarbij de ontnemingsrechter een ruime beoordelingsvrijheid heeft. Voor een dergelijk oordeel is in de onderhavige beklagprocedure evenwel geen plaats.
De raadsman heeft voorts aangevoerd dat sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel c.q. van het verbod van willekeur nu het openbaar ministerie in de zaak betreffende coffeeshop Sky High wel een ontnemingsvordering heeft ingediend, terwijl dit in vergelijkbare gevallen niet gebeurt, en voorts dat het niet past om in het geval dat een coffeeshop zijn zaken op orde heeft, transparant is en fors bijdraagt aan de Nederlandse schatkist, aan de eigenaren van deze coffeeshop een ontnemingsmaatregel op te leggen. Ook op deze gronden is klager van mening dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de ontnemingsrechter de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
De rechtbank overweegt dat deze verweren, ook in onderlinge samenhang bezien en met het voorgaande beschouwd, thans niet reeds op voorhand tot de conclusie nopen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende ontnemingsrechter een ontnemingsmaatregel zal opleggen, terwijl overigens een juridisch inhoudelijk oordeel met betrekking tot deze verweren is voorbehouden aan de ontnemingsrechter.
5.4 Meer subsidiair heeft klager zich op het standpunt gesteld dat het voortduren van het beslag, gelet op de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit, niet langer rechtmatig is. Daartoe is aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de ten laste van klager bewezenverklaarde feiten zijn begaan in de context van een bona fide exploitatie van een gedoogde coffeeshop, dat de Belastingdienst de boekhouding van de coffeeshop telkens heeft bijgehouden en goed heeft bevonden, dat de omzetbelasting is betaald, dat van illegale geldstromen niet is gebleken en dat de coffeeshop bijgevolg telkens is gedoogd en de gedoogbeschikking nog immer ononderbroken is verlengd, terwijl klager als gevolg van het beslag reeds langdurig lijdt onder persoonlijke vleugellamlegging.
De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Het strafvorderlijke belang van het voortduren van het beslag is erin gelegen dat voorkomen wordt dat mogelijk wederrechtelijk verkregen voordeel wordt weggesluisd of opgesoupeerd. Aan conservatoir beslag is inherent dat de betrokkene in zijn bestedingsmogelijkheden en eigendomsrechten wordt beperkt en dus in zijn belangen wordt geschaad. De rechtbank constateert op basis van de stukken dat de geschatte waarde van (het totaal van) de inbeslaggenomen onroerende goederen, zaken en vorderingen lager ligt dan het bedrag dat in de tegen klager aanhangige ontnemingszaak wordt gevorderd als zijnde wederrechtelijk verkregen voordeel.
Tegen het strafvorderlijke belang van het voortduren van het beslag dient het persoonlijke belang van klager bij het ongestoorde genot van zijn eigendom te worden afgewogen.
De rechtbank heeft bij vonnis van 25 februari 2014 ten laste van klager bewezenverklaard dat hij meer dan de toegestane hoeveelheid handelsvoorraad aanwezig heeft gehad in de coffeeshop. De omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd (zoals hierboven onder 5.2 vermeld), hebben ertoe geleid dat de rechtbank aan klager geen straf of maatregel heeft opgelegd. Dat doet er echter niet aan af dat er tegen klager een veroordelend vonnis ligt op grond waarvan in beginsel een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig kan worden gemaakt, hetgeen ook feitelijk aan de orde is, zoals hiervoor reeds is opgemerkt. Opmerking verdient dat een oordeel over de vraag of, gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, van (enig) wederrechtelijk verkregen voordeel sprake is, de aan te leggen toets in de beklagprocedure te buiten gaat en is voorbehouden aan de ontnemingsrechter.
Daarnaast is door klager - zonder nadere onderbouwing - gesteld dat hij als gevolg van het beslag persoonlijk vleugellam is gelegd. Deze stelling mist feitelijke grondslag nu uit de aan de pleitnotities van de raadsman gehechte (al dan niet voorlopige) aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2012 tot en met 2016 genoegzaam blijkt dat verdachte een ruimschoots bovenmodaal inkomen geniet.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het strafvorderlijke belang bij voortduring van het beslag dient te prevaleren boven het persoonlijk belang van klager bij het ongestoord genot van zijn eigendom. Het verweer wordt daarom verworpen.”