Conclusie
mensenhandel, meermalen gepleegd” en 4. “
opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
de gegeven vrijspraken onder parketnummer 21-007250-14”. Nu het hierbij niet gaat om een beperking van het cassatieberoep tot beslissingen over (cumulatieve, alternatieve en/of primaire) onderdelen van de tenlastelegging waarin een zelfstandig strafrechtelijk verwijt is omschreven, moet aan deze beperking worden voorbijgegaan. [1]
eerste middelbehelst de klacht dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde, voor zover inhoudende dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik heeft gemaakt van een kwetsbare positie, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Het middel klaagt ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde ten tweede dat niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat de verdachte [betrokkene 1] heeft laten doorwerken terwijl zij een blaasontsteking en een bloeding had.
1.
Overweging met betrekking tot het bewijs” geen afzonderlijke overwegingen gewijd aan het bewijs van de in het middel bedoelde bestanddelen van art. 273f Sr. [2] Wel heeft het hof in het kader van de strafoplegging overwogen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel gepleegd jegens twee Bulgaarse vrouwen, onder wie zijn echtgenote, en een Roemeense vrouw. [3] Nadat het hof is ingegaan op de situatie waarin het slachtoffer van het onder 3 bewezen verklaarde verkeerde, heeft het onder meer het volgende overwogen:
Ten aanzien van de twee andere vrouwen kan worden vastgesteld dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin zij verkeerden. Verdachte had voortdurend bemoeienis met hun prostitutie-werkzaamheden. Zo heeft hij één van zijn slachtoffers zelfs laten werken terwijl zij een blaasontsteking had en bloed plaste. De onevenwichtige relatie tussen verdachte en zijn slachtoffers maakte hen bovendien zeer kwetsbaar. Verdachte werkte zelf niet en had geen inkomsten, maar leefde van het geld dat de slachtoffers verdienden. De positie van beide vrouwen was geenszins vergelijkbaar met die van een mondige Nederlandse prostituee en zij werden door verdachte in feite belemmerd in hun keuze om in vrijheid te bepalen of zij het werk wilden voortzetten of er mee wilden ophouden, al is niet gebleken van dwang.”
27. Een geschrift, te weten de uitwerking van een tapgesprek d.d. 01-04-14 20:36:05, tussen NNman4590A (het hof begrijpt: de gebruiker van een telefoonnummer eindigend op 4590 (verdachte)) en de gebruiker van telefoonnummer [001] ([betrokkene 1]) inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 812):
vandaag zal ik niet neuken” kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] tijdens haar blaasontsteking en bloedingen niet als prostituee heeft gewerkt.
jij bloedt maar”, dat [betrokkene 1] die avond om 23:18 uur zegt dat zij spijt heeft dat zij is gekomen en dat het goed is dat zij Nurofen heeft geslikt zodat zij kan staan en dat de verdachte zegt: “
Mooi dan. Doei!” De tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte houdt voorts in dat hij de klachten van [betrokkene 1] niet serieus heeft genomen. Het kennelijke oordeel van het hof dat uit deze bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte mw. [betrokkene 1] heeft laten doorwerken terwijl zij een blaasontsteking en bloedingen had, is dan ook geenszins onbegrijpelijk.
neukenin elk geval niet besloten ligt dat zij geen
andereprostitutiewerkzaamheden heeft verricht. Deze klacht faalt.
verhoudingenvoortvloeiend overwicht’ kenden. Art. 273a (oud) Sr en art. 273f Sr spreken daarentegen van ‘misbruik van uit feitelijke
omstandighedenvoortvloeiend overwicht’. Uit de parlementaire geschiedenis van deze bepalingen blijkt niet dat de wetgever met dit verschil in terminologie een wijziging in de betekenis en de reikwijdte van deze bestanddelen heeft beoogd. De parlementaire stukken bieden eerder aanwijzingen voor het tegendeel. Zo heeft de toenmalige minister van Justitie Korthals Altes met betrekking tot art. 250ter (oud) Sr reeds beide begrippen door elkaar gebruikt, [5] terwijl de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot implementatie van Richtlijn 2011/36/EU [6] – met voorbijgaan aan de genoemde wijziging in terminologie – vermeldt dat art. 273f Sr ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ erkent als middel waarmee de keuzevrijheid van het slachtoffer wordt geschonden. [7]
Ik heb in Roemenië de Algemene school gedaan, erna niks meer. (…) In Roemenië met een normale baan kan je niet rondkomen.”
tweede middelkeert zich tegen het onder 4 bewezen verklaarde. Het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat de bewezenverklaring, voor zover inhoudende “
terwijl hij verbleef op het politiebureau te Den Haag en in beperkingen zat”, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Het middel klaagt in de tweede plaats dat het bewezen verklaarde, voor zover inhoudende dat de verdachte tegen [betrokkene 1] heeft gezegd dat zij zich moet beroepen op haar zwijgrecht, geen strafbaar feit behelst en het hof de verdachte in zoverre ten onrechte strafbaar heeft geacht.
hij op 8 april 2014 te Den Haag zich opzettelijk mondeling jegens [betrokkene 1] heeft geuit, kennelijk om haar vrijheid om naar waarheid (…) of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft hij, verdachte, terwijl hij verbleef op het politiebureau te Den Haag en in beperkingen zat, opzettelijk telefonisch tegen [betrokkene 1] gezegd dat zij zich moet beroepen op haar zwijgrecht en dat ze alle kaarten van de telefoon moet weggooien en dat ze niet moet bevestigen dat het zijn, verdachtes, telefoonnummer is.”
114. Een geschrift, te weten de uitwerking van een tapgesprek d.d. 08-04-14 20:26:40, tussen de gebruiker van een telefoonnummer [001] ([betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) en de gebruiker van telefoonnummer [002] (het hof begrijpt: verdachte [verdachte]), inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 932):
Het hof stelt vast dat de uitingen van verdachte kennelijk bedoeld waren om de vrijheid van [betrokkene 1] om naar waarheid of geweten een verklaring af te leggen, te beïnvloeden. Weliswaar zou een deel van die uitingen - los beschouwd - nog kunnen worden geduid als voorlichting aan [betrokkene 1] over haar positie, maar uit hetgeen verdachte heeft gezegd over de telefoonkaarten en de telefoonnummers blijkt wel degelijk de bedoeling van beïnvloeding.”
terwijl hij verbleef op het politiebureau te Den Haag en in beperkingen zat”, kan niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen. Bewijsmiddel 114 houdt in dit verband in dat [verdachte] “
vanuit hvb te Den Haag” belt naar [betrokkene 1], waarmee kennelijk is bedoeld dat de verdachte het desbetreffende telefoongesprek vanuit het huis van bewaring in Den Haag heeft gevoerd. Dit gebrek in de motivering van de bewezenverklaring behoeft evenwel bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden. Ook indien de hiervoor weergegeven zinsnede uit de bewezenverklaring wordt geschrapt, kan niet worden volgehouden dat daarmee aan de aard en ernst van het bewezen verklaarde wezenlijk afbreuk wordt gedaan, terwijl niet is aangevoerd dat en waarom de verdachte niettemin een rechtens te respecteren belang heeft bij de vernietiging van het arrest en een nieuwe behandeling. [21] Hierbij neem ik in aanmerking dat uit de strafmotivering in het bestreden arrest niet blijkt dat het hof de precieze plek waar de detentie werd ondergaan (op een politiebureau dan wel in een huis van bewaring) of het al dan niet van kracht zijn van beperkingen, bij de straftoemeting heeft betrokken. De strafmotivering houdt in dit verband immers slechts in dat de verdachte tijdens zijn voorlopige hechtenis kans heeft gezien om contact op te nemen met zijn vrouw.