Conclusie
middel
3.3. Redengevende feiten en omstandigheden
Parket bij de Hoge Raad
Op 5 april 2013 werd verdachte veroordeeld voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en verkrachting van zijn voormalige vriendin. De bedreigingen werden geuit tijdens de verkrachting. De aangeefster deed aangifte en verklaarde gedetailleerd over het geweld en de seksuele handelingen, die ondersteund werden door medisch bewijs van letsel en het aantreffen van een tampon diep in haar vagina.
Het hof achtte de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar en voldoende ondersteund door ander bewijsmateriaal, waaronder verklaringen van getuigen, medische rapporten en politieverklaringen. De verdachte werd veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en ter beschikking gesteld met bevel tot verpleging.
In cassatie werd betoogd dat het bewijs onvoldoende was omdat het grotendeels steunde op één getuige, in strijd met art. 342 lid 2 Sv Pro (unus testis-regel). De Hoge Raad bevestigde dat deze regel niet absoluut is en dat het bewijs in dit concrete geval voldoende steun vond in ander bewijs. Wel oordeelde de Hoge Raad dat de bewezenverklaring van bedreiging niet volledig gemotiveerd was, maar dat dit geen cassatiegrond opleverde omdat het belang van de verdachte daardoor niet wezenlijk werd aangetast.
De kwalificatie van het feit als verkrachting werd eveneens bevestigd. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en handhaafde het hofarrest.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling voor bedreiging en verkrachting, ondanks bewijs grotendeels op één getuige, omdat dit voldoende steun vindt in ander bewijs.