Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
8 september 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor meervoudig seksueel misbruik van minderjarige slachtoffers in de periode 1996-2006.
De Hoge Raad beoordeelt of het bewijs voldoet aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat vereist dat een bewezenverklaring niet uitsluitend mag steunen op de verklaring van één getuige zonder voldoende steun in ander bewijsmateriaal.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten aanzien van de feiten onder 2 en 3 onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verklaringen van de aangeefster voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, omdat de overige bewijsmiddelen feitelijk slechts de eigen verklaring van de aangeefster bevestigen. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het deze feiten en de strafoplegging betreft en verwijst de zaak terug naar het Hof voor hernieuwde berechting.
Voor de feiten onder 1 en 5 oordeelt de Hoge Raad dat het Hof wel voldoende steun in het bewijsmateriaal heeft gevonden en verwerpt het beroep voor zover deze feiten betreffen. De rest van het beroep wordt eveneens verworpen.
De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering bij bewijs dat steunt op één getuige en bevestigt de jurisprudentie over het bewijsminimum bij een 'unus testis'-situatie.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt bewezenverklaring en strafoplegging voor twee feiten en verwijst zaak terug naar Hof voor hernieuwde berechting.