ECLI:NL:PHR:2016:1314

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 december 2016
Publicatiedatum
10 januari 2017
Zaaknummer
15/02799
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt onbruikbaar maken politiecel door urineren als vernieling

De zaak betreft een verdachte die op 5 januari 2014 in een politiecel te ’s-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk heeft geürineerd, waardoor de politiecel tijdelijk onbruikbaar werd voor het beoogde doel. De rechtbank en het hof oordeelden dat dit handelen valt onder vernieling zoals bedoeld in art. 350 Sr Pro. De verdediging stelde dat er geen sprake was van onbruikbaar maken, omdat de cel na het vertrek van de verdachte toch gebruikt kon worden en altijd gereinigd wordt.

Het hof verwierp dit verweer en motiveerde dat het urineren de politiecel vanaf dat moment tot aan de reiniging onbruikbaar maakte. De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin onbruikbaar maken ook kan bestaan uit tijdelijke onbruikbaarheid zonder blijvende schade. Het hof heeft geoordeeld dat de cel niet meer gebruikt kon worden totdat deze was schoongemaakt, hetgeen ook blijkt uit de schoonmaakkosten die door de politie zijn opgevoerd.

De Hoge Raad concludeert dat het oordeel van het hof geen onjuiste rechtsopvatting bevat en voldoende gemotiveerd is. Het middel van de verdediging faalt, en het beroep wordt verworpen. Hiermee blijft de veroordeling wegens vernieling van de politiecel door urineren in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens vernieling van de politiecel door deze tijdelijk onbruikbaar te maken door urineren.

Conclusie

Nr. 15/02799
Zitting: 6 december 2016 (bij vervroeging)
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 2 juni 2015 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 1 juli 2014 met aanvulling van gronden bevestigd, behalve wat betreft de strafoplegging. Daarbij is de verdachte wegens “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken” veroordeeld en is de vordering van de benadeelde partij toegewezen. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 50,-, subsidiair één dag hechtenis, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat er sprake is van het “onbruikbaar maken” van een politiecel, zoals bedoeld in art. 350 Sr Pro, en dat het hof het dienaangaande gevoerde verweer op onjuiste, althans ontoereikende, gronden heeft verworpen.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:
“op 5 januari 2014 te ’s-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een politiecel toebehorende aan Politie Haaglanden onbruikbaar [heeft] gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk te urineren op de grond van die politiecel.”
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
(i) Een proces-verbaal van politie van 5 januari 2014, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als aangifte van [verbalisant 2] namens de Politie Haaglanden:
“Op 5 januari 2014 te ’s-Gravenhage ging ik naar [verdachte] toe ter controle van de verdachte. Ik zag toen ik de deur van de cel van politie Haaglanden open deed dat er een substantie op de grond lag waarvan ik direct vermoedde dat het urine was. Ik hoorde dat [verdachte] tegen mij zei dat wij hem als een hond behandelden en dat hij daarom ook als een hond ging pissen. Ik heb aan [verdachte] gevraagd of hij de urine op wilde ruimen, maar [verdachte] weigerde medewerking te verlenen.”
(ii) Een op 5 januari 2015 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:
“Ik zei als jullie mij als een hond behandelen dan gedraag ik me ook als een hond. Daarom ging ik ook als een hond plassen.”
6. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotities, heeft de raadsvrouwe van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, aangezien er geen sprake is van onbruikbaar maken. De raadsvrouwe heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte kon in zijn cel blijven. Er was geen noodzaak om direct na het aantreffen van de substantie op de grond de politiecel schoon te maken. Bovendien wordt een politiecel na gebruik altijd schoongemaakt, voordat iemand anders in de cel wordt geplaatst. Nadat de verdachte uit zijn cel was gegaan, moest de cel hoe dan ook worden gereinigd, terwijl een extra reiniging niet noodzakelijk was en evenmin blijkt te zijn uitgevoerd.
7. Door het vonnis van de rechtbank in zoverre te bevestigen heeft het hof in reactie op dit verweer in het bevestigde vonnis onder “nadere bewijsoverweging” het volgende overwogen:
“Door te urineren op de vloer van een politiecel, kan deze vanaf dat moment totdat er is schoongemaakt niet worden gebruikt. Naar het oordeel van de politierechter valt ook een dergelijk tijdelijk onbruikbaar maken onder vernieling als bedoeld in artikel 350 van Pro het Wetboek van Strafrecht.”
8. De tenlastelegging is toegesneden op art. 350, eerste lid, Sr. Daarom moeten de in de bewezen verklaarde tenlastelegging voorkomende woorden “onbruikbaar [heeft] gemaakt” geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepaling.
9. Art. 350, eerste lid, Sr luidt als volgt:
“Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”
10. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. De geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling houdt in dat naast het opzettelijk en wederrechtelijk vernielen, beschadigen en wegmaken van enig geheel of ten dele aan een ander toebehorend voorwerp het opzettelijk en wederrechtelijk onbruikbaar maken van zodanig voorwerp is strafbaar gesteld met het oog op de mogelijkheid een goed, zonder het te beschadigen, onbruikbaar te maken voor zijn bestemming. [1] Van onbruikbaar maken in de zin van art. 350, eerste lid, Sr is sprake als een voorwerp in een toestand wordt gebracht waardoor het voorwerp niet meer gebruikt kan worden voor het doel waarvoor het is bestemd. [2] Daarvoor is niet vereist dat de materie van het voorwerp door de handeling is aangetast. [3] Evenmin is van belang of die onbruikbaarmaking van beperkte duur is en het herstel in het gebruik van het voorwerp zonder noemenswaardige kosten of inspanning mogelijk is. [4] Het op eenvoudige wijze kunnen herstellen van het onbruikbaar gemaakte voorwerp staat derhalve niet in de weg aan het aannemen van onbruikbaarmaking van dat voorwerp.
11. Aan de rechtspraak van de Hoge Raad kunnen de volgende voorbeelden worden ontleend. Het gedeeltelijk leegspuiten van brandblussers leverde het onbruikbaar maken zoals bedoeld in art. 350, eerste lid, Sr op, aangezien de brandblusapparaten daardoor hun bestemming als veiligheidsvoorziening niet meer overeenkomstig de daaraan te stellen eisen konden vervullen, ook al zou door het spuiten met de brandblusapparaten daaraan niet iedere verdere werking zijn ontnomen. [5] Ook het uit de grond trekken van een paal, die diende als onderdeel van de erfafscheiding, en het uit de grond trekken van een verkeersbord met een paal waren aan te merken als het onbruikbaar maken in de voornoemde zin. [6] Het verwijderen van platen, die door de rechthebbende voor ramen en deuren waren bevestigd met de kennelijke bedoeling personen de onbevoegde toegang tot het pand te ontzeggen, leverde het onbruikbaar maken daarvan op. [7] Het gooien van een zakje met verf naar de gouden koets waardoor verfspatten op de kleding van omstanders terecht zijn gekomen, werd beschouwd als het onbruikbaar maken van die kledingstukken. [8] In een woning een hennepkwekerij opzetten en daartoe zeil over de vloerbedekking bevestigen, plastic tegen de muren nieten, gipsplaten op een kozijn schroeven, panelen tegen de muren schroeven, gaten in een muur en in de plafonds maken en aan de plafonds afzuigboxen en luchtslangen plaatsen, werd aangemerkt als het onbruikbaar maken van slaapkamers en een meterkast in die woning. [9]
12. In de hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen, in samenhang bezien met de bewezenverklaring en de gebezigde bewijsmiddelen, heeft het hof geoordeeld dat de verdachte een politiecel onbruikbaar heeft gemaakt door op de grond van die politiecel te urineren. Gelet op hetgeen hiervoor onder 10 is vooropgesteld, geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. De verdachte heeft op de grond van de politiecel, waarin hij zich bevond, geürineerd en vervolgens heeft hij geweigerd de urine op te ruimen. De verbalisant die de politiecel van de verdachte controleerde heeft verklaard dat de politiecel na het vertrek van de verdachte niet meer kon worden gebruikt door andere arrestanten en dat de cel moest worden gereinigd. [10] De omstandigheid dat als gevolg van het handelen van de verdachte reiniging van de politiecel was vereist, vindt bevestiging in de door de politie als benadeelde partij ingediende vordering betreffende schoonmaakkosten (“Schoonmaak/afroep, Weekend/code W4005”) à € 32,11. Het voegingsformulier houdt in dat extra schoonmaak nodig was, omdat de verdachte zijn cel met urine had besmeurd. Het hof heeft deze vordering volledig toegewezen. Voorts ligt in de overwegingen van het hof besloten dat het hof heeft vastgesteld dat de politiecel niet meer gebruikt kon worden voor het doel waarvoor deze was bestemd. Deze feitelijke vaststelling acht ik in het licht van het voorgaande niet onbegrijpelijk. Het spreekt vanzelf dat de eisen die aan de inrichting van een politiecel mogen worden gesteld in de weg staan aan het gebruik van een politiecel die is besmeurd met urine. In die zin kon het hof oordelen dat sprake was van het - tijdelijk - onbruikbaar maken van de desbetreffende politiecel. Aldus heeft het hof het in het middel bedoelde verweer op goede gronden en toereikend gemotiveerd verworpen. Gelet op hetgeen de raadsvrouwe van de verdachte ter onderbouwing van haar verweer heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.
13. De steller van het middel betoogt dat de politiecel ook ná het urineren door de verdachte door hem zelf kon worden gebruikt als cel. Nog daargelaten dat het hof daarover niets heeft vastgesteld, is een cel in de staat waarin de verdachte deze heeft gebracht onbruikbaar om te voldoen aan haar bestemming, te weten het onderbrengen van arrestanten in een ruimte die voldoet aan de eisen die aan een politiecel moeten worden gesteld. [11] In dit verband is een vergelijking op haar plaats met het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 7 december 1999, NJ 2000/148 ten aanzien van het leegspuiten van brandblusapparaten. Ook in die zaak werd bij het oordeel dat sprake was van het onbruikbaar maken in aanmerking genomen dat door het leegspuiten de apparaten hun bestemming als veiligheidsvoorziening niet meer overeenkomstig de daaraan te stellen eisen konden vervullen.
14. Het middel faalt.
15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie H.J. Smidt,
2.Vgl. Noyon, Langemeijer & Remmelink (red.),
3.Vgl. HR 19 oktober 1971,
4.Vgl. HR 19 mei 1998,
5.Vgl. HR 7 december 1999,
6.Vgl. HR 14 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2559,
7.Vgl. HR 23 augustus 2008, nr. 02142/04 (niet gepubliceerd, art. 81 RO Pro).
8.Vgl. HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7262,
9.Vgl. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2015:1386) voorafgaand aan HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2447 (tweede middel; de Hoge Raad laat dit middel buiten bespreking).
10.Zie het proces-verbaal van politie van 5 januari 2014, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], betreffende de aangifte van [verbalisant 2] namens de Politie Haaglanden. Dit proces-verbaal is deels als bewijsmiddel 1 voor het bewijs gebruikt.
11.Vgl. HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7262,