Conclusie
Op 15 januari 2005 werd de verdachte lid van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland; als zodanig was hij belast met onder meer de portefeuille Ruimtelijke Ordening. Deze functie vervulde hij tot 6 juli 2009.
middelklaagt dat het arrest van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans onvoldoende dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd omdat het hof de vrijspraak van het onderdeel 'in strijd met zijn plicht' (onder meer) heeft gebaseerd op zijn overweging dat - kort gezegd - hiervan sprake is als de tegenprestatie van de gedeputeerde op zichzelf onrechtmatig is.
Feit 1 : [N] / [M]
12.Het eerste middel is ingetrokken.
tweede middelklaagt dat in het proces-verbaal van de terechtzittingen van 13, 18 en 19 februari 2015 en 3, 4, 9,11, 18 en 25 maart 2015 niet is vermeld dat het onderzoek ter terechtzitting in het openbaar heeft plaatsgevonden zodat het er in cassatie voor moet worden gehouden dat het onderzoek op die terechtzittingen niet in het openbaar heeft plaatsgevonden. Dat betekent, aldus de toelichting op het middel, dat het onderzoek op die terechtzittingen en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest aan nietigheid lijden.
derde middelhoudt in dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd ontvankelijk heeft geacht in de vervolging voor wat betreft de onder 1 t/m 5 bewezenverklaarde feiten.
vierde middelklaagt dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit onvoldoende met redenen is omkleed voor zover deze inhoudt dat de verdachte de bewezenverklaarde belofte “heeft aangenomen”.
vijfde middelklaagt dat de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde feit onvoldoende met redenen is omkleed voor zover deze inhoudt dat de verdachte de bewezenverklaarde belofte “heeft aangenomen”.
zesde middelhoudt in dat de bewezenverklaring onder 5, in het bijzonder voor zover zij inhoudt dat verzoeker een gift van € 5.950,- heeft aangenomen terwijl hij “redelijkerwijs vermoedde” dat deze gift hem werd gedaan “teneinde hem te bewegen om (..) in zijn bediening iets te doen, of ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem (..) in zijn huidige bediening was gedaan”, niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, en/of dat het verweer inhoudende dat vrijspraak moet volgen omdat de betaling van € 5.950,- geen relatie heeft met verzoekers ambtelijke bediening, ten onrechte, althans op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden is verworpen.
zevende middelhoudt in dat de bewezenverklaring onder 6, tweede cumulatief, in het bijzonder voor zover zij inhoudt dat [A] BV de bewezenverklaarde facturen “voorhanden heeft gehad” niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, althans dat ’s hofs oordeel dat in casu onder het “voorhanden hebben ” zoals bedoeld in art. 225, tweede lid, Sr mede dient te worden begrepen het enkele opnemen van die facturen in de eigen administratie van [A] BV, onjuist is, dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
achtste middelklaagt dat de bewijsmotivering en de bewezenverklaring ter zake van feit 7 innerlijk tegenstrijdig, althans onbegrijpelijk zijn, in het bijzonder voor zover zij betrekking hebben op de factuur ter hoogte van € 59.500,- d.d. 12 september 2007 van [G] aan [P] BV (zaaksdossier 4).