De zaak betreft een eigenaar van een coffeeshop in Apeldoorn die werd veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet vanwege het aanhouden van een externe voorraad softdrugs. De verdediging verzocht om het horen van een groot aantal getuigen, waaronder bestuurders en ambtenaren, om het gedoogbeleid en de strafwaardigheid te toetsen. Het hof wees deze verzoeken af omdat de verdachte zich grotendeels op zijn zwijgrecht had beroepen en geen concrete aanwijzingen gaf voor het gerechtvaardigd vertrouwen dat vervolging zou uitblijven.
De verdediging voerde aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens schending van het vertrouwensbeginsel en willekeur, omdat het gedoogbeleid het aanhouden van een externe voorraad zou toestaan. Het hof verwierp dit verweer met de motivering dat geen concrete toezeggingen of gedragingen waren vastgesteld die het gerechtvaardigde vertrouwen konden wekken, mede omdat de externe voorraad geheim werd gehouden en de gedoogverklaring geen externe voorraad vermeldde.
Ten aanzien van de strafoplegging overwoog het hof dat ondanks de maatschappelijke functie van coffeeshops en het gedoogbeleid, de aanwezigheid van een bedrijfsleider zonder VOG en tekortkomingen in de administratie het toepassen van art. 9a Sr (schuldigverklaring zonder strafoplegging) niet rechtvaardigden. Daarom werd een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar opgelegd. De Hoge Raad vond de motivering van het hof toereikend en verwierp het cassatieberoep.