ECLI:NL:PHR:2016:154

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 januari 2016
Publicatiedatum
29 maart 2016
Zaaknummer
14/06236
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 472 SvArt. 457 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens persoonsverwisseling bij alcoholcontrole leidt tot verwijzing voor nieuwe berechting

De aanvrager werd in 2007 veroordeeld voor een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994, maar stelde dat sprake was van persoonsverwisseling omdat iemand anders zich bij de aanhouding had voorgedaan. De aanvraag tot herziening werd ingediend in 2014, ruim zeven jaar na het incident.

De Hoge Raad stelde vragen over de proceshouding van de aanvrager, die vanwege beperkte verstandelijke vermogens niet op zittingen verscheen en geen grieven indiende. Dit werd onderbouwd met een psychologisch rapport en informatie over zijn persoonlijke omstandigheden.

De verbalisante die de aanhouding verrichtte verklaarde in 2010 met honderd procent zekerheid dat de aanvrager niet de aangehouden persoon was, maar kon in 2015 niet meer aangeven waarop die zekerheid destijds was gebaseerd. De Hoge Raad acht dit voldoende aanleiding voor een ernstig vermoeden van persoonsverwisseling.

Op grond hiervan verklaarde de Hoge Raad de herzieningsaanvraag gegrond en verwees de zaak terug naar het gerechtshof voor een nieuwe berechting, waarbij de veroordeling kan worden gehandhaafd of de aanvrager vrijgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak voor hernieuwde berechting naar het gerechtshof wegens persoonsverwisseling.

Conclusie

Nr. 14/06236 H
Zitting: 26 januari 2016
Mr. T.N.B.M. Spronken
Nadere conclusie inzake:
[aanvrager]
De aanvrager van herziening is bij vonnis van 14 september 2007 in de zaak met parketnummer 14/700166-07 door de politierechter in de Rechtbank te Alkmaar veroordeeld tot een geldboete van € 390, te vervangen door 7 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, wegens overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994 op 10 december 2006. Het vonnis is onherroepelijk geworden.
Namens de aanvrager heeft Mr. T.N. van Riel, advocaat te Alkmaar, een verzoek tot herziening van het vonnis ingediend vanwege een persoonsverwisseling, omdat iemand anders zich als aanvrager heeft voorgedaan tijdens de aanhouding op 10 december 2006.
Op 12 mei 2015 heb ik geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof, opdat deze op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
In zijn arrest van 15 september 2015 heeft de Hoge Raad in verband met de beoordeling van de proceshouding van de aanvrager drie vragen gesteld aan de raadsvrouw van aanvrager met het verzoek deze schriftelijk te beantwoorden:
“(a) waarom de aanvrager - na aanhouding van de zaak met het oog op het onderzoek van het door hem gevoerde verweer - niet is verschenen op de nadere terechtzitting van de Politierechter,
(b) waarom hij ondanks de niet-honorering van het in eerste aanleg gevoerde verweer, geen grieven heeft voorgesteld na het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter noch ter terechtzitting van het Hof is verschenen, en
(c) hoe het tijdsverloop is te verklaren tussen het opmaken van het proces-verbaal van 3 juni 2010 waarop de aanvraag steunt, en de indiening van de aanvraag, die op 12 december 2014 - dus bijna drie-en-een-half jaar later - bij de Hoge Raad is ingekomen.”
In hetzelfde arrest heeft de Hoge Raad mij gevraagd bij de verbalisante [verbalisant 1] bij aanvullend proces-verbaal haar redenen van wetenschap te doen geven wat betreft haar verklaring dat zij "met 100 percent zekerheid [kan] zeggen" dat de aanvrager niet de persoon is die zij in de nacht van 10 december 2006 bij een alcoholcontrole heeft aangehouden.
Ik zal eerst de nadere informatie die is binnengekomen met betrekking tot de proceshouding van de aanvrager bespreken en daarna de redenen van wetenschap van [verbalisant 1].

Proceshouding aanvrager

5. Op 25 oktober 2015 heeft de raadsvrouw van aanvrager schriftelijk en gedocumenteerd op de drie bovengemelde vragen met betrekking tot de proceshouding van aanvrager gereageerd. Hieruit komt naar voren dat de verstandelijke vermogens van aanvrager beperkt zijn, hetgeen wordt onderbouwd door de omstandigheid dat aanvrager in de periode 2006-2010 speler was in het Nederlands ID-voetbalelftal, dat bestaat uit de beste Nederlandse voetbalspelers met een IQ van maximaal 75 en door de resultaten van een psychologisch onderzoek dat op 11 juni 2012 heeft plaatsgevonden en dat is overgelegd als bijlage 3. Deze resultaten bevestigen dat aanvrager functioneert op een zwakbegaafd niveau. Informatief is het citaat dat de raadsvrouw aanhaalt uit dit onderzoek:
‘Zijn kennis van het hoe en waarom van alledaagse situaties en afspraken is beperkt (...). Bij moeilijke taken geeft hij snel op en vertoont hij weinig doorzettingsvermogen.’ (bijlage 3, pagina 5, gearceerde tekst).
En:
‘Opdrachten en instructies zullen eenvoudig, letterlijk en concreet moeten zijn. Geef informatie niet te snel en in kleine eenheden en herhaal instructies regelmatig.’ (bijlage 3, pagina 6, gearceerde tekst)
6. Bovendien verbleef aanvrager volgens zijn raadsvrouw tijdens de strafzaak niet op het toenmalige GBA-adres omdat die woning onbewoonbaar was en leidde hij een min of meer zwervend bestaan. Uit de informatie die de raadsvrouw verstrekt blijkt ook dat aanvrager ten tijde van de strafzaak geen advocaat heeft ingeschakeld, wellicht wederom vanwege zijn beperkte verstandelijke vermogens. Dit verklaart waarom aanvrager niet op de door de Hoge Raad in zijn vragen onder a en b genoemde terechtzittingen is verschenen c.q. een memorie van grieven heeft ingediend of laten indienen en waarom het zo lang geduurd heeft voordat er een herzieningsverzoek is ingediend.
7. Uiteindelijk heeft de aanvrager zich in de tweede helft 2014 gewend tot zijn huidige raadsvrouw welke vervolgens voortvarend tewerk is gegaan. Zij heeft op 2 september 2014 [1] het dossier opgevraagd en om een afschrift van het aanvullend proces-verbaal van 3 juni 2010 verzocht. Na verstrekking van deze stukken, waarvan het laatste stuk door het OM op 5 november 2014 is toegezonden, is de aanvraag tot herziening op 12 december 2014 ingediend.
8. Mijn conclusie ten aanzien van de proceshouding van aanvrager is dat deze hem, op grond van de door de raadsvrouw verstrekte informatie, waaraan gelet op de bijgevoegde stukken naar mijn mening niet getwijfeld hoeft te worden, in het kader van onderhavige herzieningsprocedure niet kan worden tegengeworpen. Deze informatie maakt inzichtelijk waarom aanvrager niet op de zittingen bij de politierechter en het hof is verschenen en waarom er in hoger beroep geen grieven zijn ingediend. Zij verklaren ook het tijdsverloop tussen het opmaken van het proces-verbaal van 3 juni 2010 en de indiening van de herzieningsaanvraag op 12 december 2014.

Redenen van wetenschap van verbalisante [verbalisant 1]

9. Zoals door de Hoge Raad verzocht heb ik op 16 september 2015 via het College van procureurs-generaal verzocht om een proces-verbaal van verbalisante [verbalisant 1] omtrent haar redenen van wetenschap dat zij "met 100 percent zekerheid [kan] zeggen" dat de aanvrager niet de persoon is die zij in de nacht van 10 december 2006 bij een alcoholcontrole heeft aangehouden.
10. Hierop heeft [verbalisant 1] een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt dat op 11 november 2015 aan de Hoge Raad is toegezonden, waarin zij op ambtseed verklaart:
“Op 3 juni 2010 heb ik een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt met betrekking tot een negatieve herkenning van [aanvrager] op 5 mei 2015 [2] . Zie hiervoor proces-verbaal van bevindingen PL10AL-2010059174-2. Dit proces-verbaal van bevindingen was abusievelijk niet ondertekend. Hiervan heb ik een nieuw proces-verbaal van bevindingen opgemaakt dat eerder genoemd proces-verbaal door mij op ambtseed was opgemaakt. Zie hiervoor proces-verbaal PL1100-2015096202-03.
De Hoge Raad heeft aan mij verzocht een proces-verbaal op te maken, waarom ik destijds met 100 percent zekerheid kan zeggen dat [aanvrager] niet de persoon is geweest die ik in de nacht van 10 december 2006 heb aangehouden. Daar deze incidenten respectievelijk 5 en 9 jaar geleden hebben afgespeeld kan ik niet meer zeggen dat ik weet hoe de persoon er 9 jaar geleden heeft uitgezien. Ook kan ik niet meer zeggen dat ik zeker weet dat [aanvrager] niet de bestuurder is geweest die ik op 10 december 20106 heb aangehouden.”
11. De vraag is hoe dit nu geïnterpreteerd moet worden. Ik leid hieruit af dat [verbalisant 1] blijft bij hetgeen zij op 3 juni 2010 heeft verklaard en naderhand op ambtseed nog een keer heeft bevestigd, namelijk dat zij met 100 procent zekerheid kan stellen dat de aanvrager niet de persoon is die zij in de nacht van 10 december 2006 bij een alcoholcontrole heeft aangehouden, maar dat zij nu niet meer kan aangeven waarop zij deze wetenschap indertijd heeft gebaseerd. Wat dat betreft kan ik mij vinden in de lezing die de raadsvrouw hiervan in haar reactie d.d. 18 januari 2016 geeft, namelijk dat verbalisante [verbalisant 1] thans geen uitspraken meer kan doen over haar redenen van wetenschap destijds, omdat een en ander zich (te) lang geleden heeft afgespeeld. Dit is mijns inziens op zichzelf begrijpelijk en zegt nog niets over de betrouwbaarheid van haar stellige verklaring van 3 juni 2010. Daarbij wil ik er nog op wijzen dat [verbalisant 1] in desbetreffende nacht van de alcoholcontrole aanvrager niet alleen bij de aanhouding, die hoogstwaarschijnlijk in het donker heeft plaatsgevonden, heeft gezien, waarop door de Hoge Raad in overweging 5.3.2. wordt gewezen, maar ook tijdens zijn daaropvolgend verblijf op het politiebureau waarnaar hij in die nacht ter identificatie is meegenomen. Uit het proces-verbaal van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] van 16 juli 2007, waaruit de Hoge Raad in overweging 5.2.1. in zijn arrest citeert, blijkt immers dat nadat de vriendin/echtgenote van de verdachte met de auto naar huis is gereden, de verdachte op het politiebureau te Heerhugowaard in een zogenaamde ophoudkamer is gezet en dat [verbalisant 1] haar collega [verbalisant 2] erbij heeft gehaald omdat de verdachte zich niet kon legitimeren. Daaruit kan ook worden opgemaakt dat [verbalisant 1] bij de daaropvolgende handelingen om verdachte te identificeren kennelijk steeds aanwezig is geweest en dus de verdachte gedurende een langere tijd heeft kunnen waarnemen in een, naar ik aanneem, goed verlichte ruimte.
12. Verder moet mij van het hart dat ik mij niet aan de indruk kan onttrekken dat [verbalisant 1], na twee keer vanuit de Hoge Raad te zijn benaderd over haar proces-verbaal van bevindingen van 3 juni 2010, zich in haar laatste proces-verbaal heel voorzichtig uitdrukt omdat zij wellicht bang is in de problemen te komen. Het gaat per slot van rekening om ambtsedig opgemaakte processen-verbaal. Maar dit is een indruk, die ik uiteraard niet hard kan maken.
13. Al met al ben ik, zoals hiervoor al gezegd, van oordeel dat de proceshouding aanvrager in deze herzieningszaak niet tegengeworpen kan worden. Daarnaast meen ik dat er, ondanks de verklaring van [verbalisant 1] dat zij thans niet meer precies kan aangeven waarop haar verklaring vijf jaren geleden berust, voldoende aanleiding blijft bestaan voor een ernstig vermoeden dat er sprake is geweest van een persoonsverwisseling die, indien deze bekend zou zijn geweest tijdens het onderzoek van de strafzaak, zou hebben geleid tot vrijspraak van de aanvrager. Ik vind het gegeven dat [verbalisant 1] in 2010 met 100 procent zekerheid meent te kunnen verklaren dat verzoeker niet de persoon is die indertijd bij de alcoholcontrole is aangehouden voldoende zwaarwegend om mijn eerdere conclusie te handhaven. Daarbij speelt mee dat de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wijziging van art. 457 Sv Pro ingaande 1 oktober 2012 onder meer inhoudt: "Voldoende is dat het "ernstige vermoeden" rijst dat de rechter tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Zekerheid hoeft daarover dus geenszins te bestaan" [3] en dat het derhalve aan de rechter is naar wie de zaak wordt verwezen de zaak opnieuw te onderzoeken en vervolgens hetzij de veroordeling te handhaven, hetzij alsnog vrij te spreken. [4]
14. Ik handhaaf mijn conclusie die ertoe strekt dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof, opdat deze op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Ik ga ervanuit dat de vermelding in de brief van 25 oktober 2015 van “2 september 2015” het jaartal op een schrijffout berust.
2.Ik neem aan dat hier bedoeld wordt “5 mei 2010”.
3.Kamerstukken II 2008/09, 32 045, nr. 3, p. 27.
4.HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7190, NJ 2013/278 m.nt. T.M. Schalken, rov. 5.10.