8.1. Wat de eerste klacht betreft wordt In de toelichting onder verwijzing naar HR 23 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985gesteld dat het hof niet met voldoende mate van duidelijkheid heeft aangegeven welke bewijsmiddelen het redengevend heeft geacht voor zijn oordeel dat de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar zijn om tot bewijs te kunnen dienen. Uit genoemd arrest van de Hoge Raad volgt dat als het gaat om feiten en omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, de rechter die zich - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten of omstandigheden dient aan te duiden, en (b) het wettige bewijsmiddel dient aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Dit geldt echter niet voor feiten en/of omstandigheden die ten grondslag worden gelegd aan een weerlegging van verweren inzake de betrouwbaarheid van het gebezigde bewijsmateriaal. Zulke feiten en/of omstandigheden zijn immers niet redengevend voor de bewezenverklaring dat de verdachte het aan hem tenlastegelegde feit heeft begaan.Reeds gelet daarop faalt de klacht. 8.2. Ten overvloede merk ik op dat het hof kennelijk onder meer het oog heeft gehad op de wel degelijk tot bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] en van de twee klanten van aangeefster. Daarin kan immers steun worden gevonden voor aangeefsters verklaring dat zij via [betrokkene 1] in contact is gekomen met de verdachte en [medeverdachte] / [medeverdachte] , dat de aangeefster via hen weer in contact is gekomen met [betrokkene 2] , dat de aangeefster bij [betrokkene 2] onderdak heeft gekregen voor een paar dagen, dat [medeverdachte] in het huis van [betrokkene 2] foto’s van de aangeefster heeft gemaakt en deze samen met een advertentie op een aantal internetsites heeft gezet, en dat de aangeefster beide keren dat zij een afspraak via internet had gemaakt werd gebracht door één of meer mannen.
8.3. In de tweede plaats wordt erover geklaagd dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de aangeefster geen andere mogelijkheid zag dan zich te prostitueren en de door haar verdiende bedragen onvrijwillig heeft afgestaan, noch dat verdachte zich daarvan bewust was, zoals het hof in zijn bewijsoverweging heeft overwogen. Die klachten falen eveneens nu het hof dat zonder meer heeft kunnen afleiden uit de gebezigde bewijsmiddelen. Die houden immers onder meer in als verklaringen van de aangeefster:
- dat zij uit het begeleid wonen-project in Groningen was gezet en geen onderdak had,
- dat toen ene [betrokkene 1] haar zei dat ze naar Den Haag moest komen en dat ze via [betrokkene 1] in contact is gekomen met de verdachte, [medeverdachte] / [medeverdachte] en [betrokkene 2] ,
- dat zij met de verdachte en [medeverdachte] heeft gesproken over waar zij in de prostitutie zou kunnen werken,
- dat verdachte, [medeverdachte] en [betrokkene 2] zijn gaan zoeken naar werk voor haar, en dat zij samen met [medeverdachte] kon blijven slapen in het huis van [betrokkene 2] .
Verder houdt de tot bewijs gebezigde verklaring van de verdachte in dat de aangeefster psychisch ziek was, niets bij zich had en ruzie met haar ouders had, en houdt de tot bewijs gebezigde verklaring van medeverdachte [medeverdachte] in dat zij vond dat de aangeefster onderdak nodig had, dat de aangeefster helemaal niets en niemand had, geen vrienden, geen kleren en geen onderdak.
Uit die verklaringen in onderlinge samenhang bekeken heeft het hof kunnen opmaken dat de aangeefster op het moment dat zij in contact kwam met de verdachte en zijn medeverdachten, in een zodanige situatie verkeerde dat ze geen andere mogelijkheid zag om in haar levensonderhoud te voorzien dan om zich te prostitueren én dat de verdachte en zijn medeverdachten dat ook wisten.
8.4. Datzelfde geldt voor de overweging van het hof dat de aangeefster de bedragen onvrijwillig heeft afgestaan. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt immers:
- dat de aangeefster beide keren door verdachte, [betrokkene 2] en/of [medeverdachte] is gezegd dat ze het door haar verdiende geld af moest geven aan [medeverdachte] en dat als aangeefster iets nodig had ze dat aan [medeverdachte] kon vragen,
- dat [medeverdachte] de aangeefster na de tweede afspraak thuis heeft gefouilleerd om te controleren of de aangeefster echt niet meer geld had,
- dat de aangeefster hen moest betalen voor onderdak, stroom, water en dingen die ze gebruikte voor eten,
- dat ze voor de aangeefster zouden sparen maar dat er nooit duidelijk afspraken zijn gemaakt hoeveel de aangeefster zou krijgen en hoeveel er naar hen zou gaan,
- dat de aangeefster al haar geld aan [medeverdachte] moest geven, en
- dat zij [medeverdachte] niet ervan durfde te beschuldigen dat het aangeefsters geld was omdat ze bang was dat de verdachte boos zou worden.
Daarnaast houden de gebezigde bewijsmiddelen in dat de aangeefster toen ze de verdachte, [betrokkene 2] en [medeverdachte] tegen kwam niets bij zich had, ze ruzie had met haar ouders en dat ze geen vrienden en geen onderdak had. Het hof heeft kunnen oordelen dat de aangeefster door de omstandigheden waarin zij zich bevond en door bijvoorbeeld de opmerking van de medeverdachte [betrokkene 2] dat als de aangeefster het geld niet zou afgeven zij wel wisten hoe de aangeefster tegenover hen stond, werd gedwongen, of zich in ieder geval gedwongen voelde, om het geld af te geven. Van een vrijwillige afgifte was dus geen sprake.
Het hof heeft op grond van die uit de bewijsmiddelen blijkende betrokkenheid van de verdachte bij de inspanningen om de aangeefster aan werk in de prostitutie te helpen, zijn begeleiding van de aangeefster bij één van haar afspraken met een klant, en uit onder meer verdachtes opmerking tegen de aangeefster dat zij het geld aan [medeverdachte] moest geven, kunnen afleiden dat de verdachte op de hoogte was (of moet zijn geweest) van het feit dat de aangeefster het geld niet vrijwillig afgaf.
8.5. Tenslotte wordt nog geklaagd over de overweging van het hof dat is gesteld noch gebleken dat de aangeefster de geldbedragen heeft afgestaan in verband met een eerder gemaakte afspraak omtrent een vergoeding van gemaakte kosten en dat een uit een dergelijke afspraak voortvloeiende verplichting om te betalen niet aannemelijk is geworden. Die overweging, zo wordt gesteld, is in strijd met de tot het bewijs gebezigde verklaring van de aangeefster dat zij moest betalen voor onderdak, stroom, water en dingen die zij gebruikte voor eten, en dat was afgesproken dat de verdachte en zijn medeverdachten voor de aangeefster zouden sparen.
8.6. Van tegenstrijdigheid is mijns inziens geen sprake. De tot bewijs gebezigde verklaringen van de aangeefster dwingen immers niet tot de conclusie dat vooraf en in overleg afspraken zijn gemaakt tussen de aangeefster en de verdachten over de vergoeding van de gemaakte kosten en de wijze waarop dat zou plaatsvinden. Daaruit volgt dat aangeefster op enig moment wist of werd verteld dat ze moest betalen voor de genoemde zaken en dat de verdachten voor haar zouden gaan sparen. Een vooraf aangegane afspraak of verplichting om te betalen valt daar niet zonder meer uit af te leiden.