5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) De medeverdachte [betrokkene 1] is (onder meer) op 27 en 28 juli 2012 door de politie als verdachte gehoord. Hij heeft toen aangegeven niets te willen verklaren. Voorts is hij op 30 juli 2012 in zijn eigen strafzaak voorafgaand aan zijn inbewaringstelling door de rechter-commissaris gehoord. Ook toen heeft [betrokkene 1] met een beroep op zijn zwijgrecht geen verklaring afgelegd. Op de terechtzitting in eerste aanleg van 1 augustus 2013 in zijn eigen strafzaak heeft [betrokkene 1] wel een korte verklaring afgelegd. Hij heeft aldaar verklaard dat een vriend van hem een autoverhuurbedrijf had, dat hij wel eens auto’s voor die vriend naar de wasstraat bracht en dat hij daar dan iets mee verdiende.
(ii) De Rechtbank Amsterdam heeft de verdachte bij vonnis van 5 november 2013 veroordeeld. Afgezien van verklaringen van verbalisanten, een verklaring van een deskundige en een (Frans) deskundigenrapport, heeft de rechtbank slechts een bij de (Franse) politie afgelegde verklaring van de medeverdachte [betrokkene 2] en een bij de (Nederlandse) politie afgelegde verklaring van [betrokkene 3] voor het bewijs gebruikt. Namens de verdachte is op 18 november 2013 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
(iii) De toenmalige raadsman van de verdachte heeft bij tijdig ingediende appelschriftuur van 2 december 2013 verzocht [betrokkene 1] en andere medeverdachten als getuigen te horen.Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de raadsman het volgende aangevoerd. De verdediging wenst [betrokkene 1] (en de andere medeverdachten) vragen te stellen over de aanname dat er een organisatie zou zijn geweest en over de visie van de rechtbank dat de verdachte een leidende rol in die organisatie heeft vervuld. Ook wenst de verdediging [betrokkene 1] vragen te stellen ten aanzien van de aanname dat de verdachte een groot geldbedrag zou hebben witgewassen.
(iv) Op 11 april 2014 heeft het openbaar ministerie afwijzend op het verzoek tot het oproepen van [betrokkene 1] gereageerd.
(v) De raadsman van de verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2014 verzocht de vijf personen, onder wie [betrokkene 1], als getuigen te horen. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het is in hoger beroep van belang om de getuigen te horen, omdat de verdediging geen antwoord heeft gekregen op inhoudelijke vragen. Er is geen effectieve verhoormogelijkheid geweest, omdat de getuigen bij de rechter-commissaris een beroep hebben gedaan op hun verschoningsrecht. De verdediging wenst onder meer [betrokkene 1] vragen stellen over de aard en de grondslag van de contacten met de verdachte, de omvang van de vermeende criminele organisatie, de vraag of de verdachte de leider was, het vermeende witwassen van een geldbedrag dat niet bij de verdachte is aangetroffen en de verdeling van dat geld.
(vi) In reactie op dit verzoek heeft de advocaat-generaal bij het hof op voornoemde terechtzitting aangegeven dat voor [betrokkene 1] het criterium van het verdedigingsbelang moet worden toegepast en dat hij zich niet verzet tegen het horen van [betrokkene 1].
(vii) De raadsman heeft hierop ter terechtzitting gereageerd met de mededeling dat de verdediging ten aanzien van [betrokkene 1] geen effectieve mogelijkheid heeft gehad om deze getuige te horen. Als [betrokkene 1] reeds onherroepelijk is veroordeeld of als zijn zaak is geseponeerd, dan kan hij gewoon verklaren. Er kan niet op voorhand worden ingegaan op de eventuele inhoud van het verhoor. Het ondervragingsrecht is van belang. Dat is het enige instrument dat de verdediging heeft om de zaak ter discussie te stellen, aldus de raadsman.
(viii) Het hof heeft op voornoemde terechtzitting het verzoek van de raadsman om [betrokkene 1] als getuige te horen toegewezen en daartoe het volgende overwogen. Ten aanzien van deze getuige is het verdedigingsbelang van toepassing, terwijl de advocaat-generaal zich niet verzet tegen het horen van de getuige. Het hof acht het horen van deze getuige in het belang van de verdediging. Vervolgens heeft het hof de zaak (primair) verwezen naar de (vaste) raadsheer-commissaris teneinde (onder meer) [betrokkene 1] als getuige te horen.
(ix) Zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 29 augustus 2014, is het niet gelukt om [betrokkene 1] als getuige te horen, omdat [betrokkene 1] aan de hand van de gegevens die de raadsheer-commissaris en de raadsman ter beschikking stonden niet kon worden getraceerd, zodat het onderzoek naar de verblijfplaats van deze getuige is afgesloten. Daartoe is in dit proces-verbaal het volgende vastgesteld:
“De getuige is opgeroepen en gedagvaard voor het getuigenverhoor van 14 augustus 2014 op zijn huidige GBA adres [a-straat 1], [plaats] en op zijn vorige GBA adres: [b-straat 1] te [plaats]. De dagvaarding op het adres [a-straat 1],[plaats] is teruggekomen met de mededeling: "dat volgens degene die zich op het door mij ingevulde adres bevond, de geadresseerde daar niet woont noch verblijft." De dagvaarding op het adres [b-straat 1] te [plaats] is teruggekomen met de mededeling "niet kunnen uitreiken, omdat op het door mij ingevulde adres niemand werd aangetroffen." De verbalisant heeft ter plaatse een bericht achtergelaten, waarin is vermeld dat de brief binnen een in dat bericht gestelde termijn kan worden afgehaald bij het politiebureau op de [c-straat 1] te [plaats]. Op 31 juli 2014 is de akte teruggezonden naar het gerechtshof omdat de brief niet is afgehaald.
Voor 27 augustus 2014 is er een bevel medebrenging gelast voor de getuige [betrokkene 1]. De politie heeft geprobeerd de getuige op te halen op het adres waar de getuige nog steeds staat ingeschreven volgens het GBA te weten: [a-straat 1] te [plaats].
De getuige is toen niet aangetroffen. De politie heeft daarvan op die datum een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Dit proces-verbaal van bevindingen van de politie is gevoegd bij dit proces-verbaal van bevindingen. Op 27 augustus 2014 is nog gecontroleerd in het GBA en VIP of getuige een nieuw adres heeft of momenteel is gedetineerd. Dit leverde geen nieuwe informatie op.
Gezien er geen alternatieve adressen bekend zijn van deze getuige is de raadsheer-commissaris van oordeel dat de getuige aan de hand van de gegevens die tot de raadsheer-commissaris en raadsman ter beschikking staan niet getraceerd kan worden, dat om die reden het onderzoek naar de verblijfplaats van deze getuige dient te worden afgesloten."