Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof het verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen.
Parket bij de Hoge Raad
Deze zaak betreft de vraag of het opleggen van een stadionverbod en een geldboete door de KNVB kan worden aangemerkt als een strafrechtelijke vervolging in de zin van artikel 6 EVRM Pro, en daarmee het ne bis in idem-beginsel in de weg staat aan een strafrechtelijke vervolging voor hetzelfde feit.
De verdachte kreeg een stadionverbod van drie jaar en een boete van €450 opgelegd door de KNVB vanwege ongeregeldheden na een voetbalwedstrijd. Vervolgens werd hij strafrechtelijk vervolgd voor opruiing en eenvoudige belediging. De verdediging stelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege het ne bis in idem-beginsel.
De Hoge Raad bevestigt dat het stadionverbod en de boete van de KNVB privaatrechtelijke sancties zijn, gebaseerd op een contractuele relatie tussen de KNVB en de bezoeker van de wedstrijd. Deze sancties zijn geen 'criminal charge' in de zin van artikel 6 EVRM Pro. De samenwerking tussen KNVB en publieke instanties doet hieraan niet af. De strafrechtelijke vervolging kan daarom gewoon doorgaan. De Hoge Raad wijst ook op de jurisprudentie over het alcoholslotprogramma ter illustratie van uitzonderlijke gevallen waarin cumulatie wel problematisch is.
De conclusie is dat het OM niet-ontvankelijk verklaard hoeft te worden en de strafrechtelijke vervolging terecht is voortgezet. Het beroep van de verdediging wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het stadionverbod en de boete van de KNVB geen strafrechtelijke vervolging uitsluiten en het ne bis in idem-beginsel niet wordt geschonden.