Conclusie
1.Feiten
Hoe verloopt de procedure
1. Gemeentelijke berekening nieuwe grondwaarde en nieuwe canon
2.Deskundigenprocedure
4.Ingroeiregeling
grief 1maakt [verweerster] bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank (in rechtsoverweging 4.2) dat zij [verweerster] niet volgt in haar stelling dat de aanbiedingsbrief van de Gemeente geen aanbod is in de zin van artikel 6:217 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de canonbedragen en de afkoopsom aan de hand van de aanbiedingsbrief en de bijbehorende toelichting voldoende bepaalbaar.
grief Ien deels ook de
grieven IV en Vslagen.
grief VIIslaagt.
grief IIwaarmee [verweerster] bezwaar maakt tegen het oordeel van de rechtbank zoals vervat in rechtsoverweging 4.2, dat ook het voorbehoud van bestuurlijke goedkeuring er niet toe leidt dat geen sprake is van een aanbod, geen behandeling meer. Ook de
grieven III, IV (voor het overige), V (voor het overige) en VI, die betrekking hebben op hetgeen door de rechtbank is overwogen in de rechtsoverwegingen 4.8 en 4.9 over oneigenlijke dwaling, worden na hetgeen reeds is overwogen niet meer besproken. Dit geldt ook voor de
grieven VIII en IX, waarmee bezwaar wordt gemaakt tegen de afwijzing van het beroep van [verweerster] op dwaling.”
bepaalbaargeacht kan worden, is een sterk casuïstische kwestie.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
als geheel onvoldoende bepaalbaaris – zelfs met betrekking tot de jaarlijkse canonbetalingen. Dat is wel een stap – of omvat zo men wil meer stappen – die het hof daar neemt, maar dat is bijzonder goed te volgen en nu typisch het resultaat van een feitelijke afweging. Een afweging in andere zin, waarbij dit element minder zwaar zou doorwerken, had in feitelijke instantie ook “cassatieproof” kunnen worden gemaakt; de mate waarin elementen meewegen blijft het prerogatief van de rechter die over de feiten oordeelt, als dat maar op begrijpelijke wijze gebeurt en dat is hier in mijn optiek zo.
concreet bedrag van daadwerkelijk door [verweerster] te betalen afkoopsomof dat dat bedrag
zelfstandig uit de aanbiedingsbriefmoet zijn op te maken. Dat overweegt het hof zo niet, zodat die klachten uitgaan van een verkeerde lezing van het arrest. Ook volgt hier niet uit dat zou zijn miskend dat sprake kan zijn van voldoende bepaalbaarheid bij eventuele vaststelling achteraf naar tevoren vaststaande criteria, eventueel met behulp van de redelijkheid en billijkheid. Het hof heeft in rov. 3.6, in cassatie onbestreden, de maatstaf voor de vraag of sprake is van een aanbod kort weergegeven. Daarop volgt in rov. 3.7 als relevante omstandigheid onder meer dat in de aanbiedingsbrief en de bijbehorende toelichting is vermeld dat de kortingen en de afkoopsom niet in canonbedragen zijn verwerkt en zullen blijken uit de nota’s die zullen volgen. Voor het hof was, zo volgt uit rov. 3.8, duidelijk doorslaggevend beslissend dat over korting op de afkoopsom helemaal niets kon worden afgeleid uit de aanbiedingsbrief met toelichting. Dat deelelement is voor het hof zo bepalend, dat dit de bepaalbaarheid als aanbod van de aanbiedingsbrief wegneemt in dit geval. Ook de omstandigheid uit 4.4 onder (d) maakt dit niet anders: ook al heeft [verweerster] aanvaard dat het concrete bedrag pas later zal blijken uit de nota’s, dat laat de hoeksteen in de redenering van het hof dat niet kon worden bepaald hoe de korting inwerkte op de afkoopsom onverlet (en dat legt bij het hof uiteindelijk zo’n gewicht in de schaal, dat dat dodelijk doorwerkt voor de vraag of aan het bepaalbaarheidsvereiste is voldaan). Ik vind dat niet onbegrijpelijk in cassatietechnisch opzicht; de gedachtegang van het hof is prima te volgen. De parallel die in de s.t. van de Gemeente onder 29 wordt getrokken met HR 6 mei 1960, NJ 1961/366 lijkt mij niet zo dwingend als bepleit. Daarin ging het om de partijbedoeling de waarde van de ingebrachte bioscoop later vast te stellen en in onze zaak is weliswaar ook gegeven dat de concrete korting op de afkoopsom uit latere nota’s kon blijken, maar weegt het hof zwaar dat inzicht ontbreekt hoe die korting wordt berekend, zodat geen overwogen keuze mogelijk was tussen afkoop of jaarlijkse canonbetaling. Die twee laatste aspecten maken de zaak anders, maar daar zou inderdaad in feitelijke instantie ook anders over kunnen worden geoordeeld. Onjuist of onbegrijpelijk maakt dat gegeven het oordeel van het hof niet.
afkoopsomessentieel is voor de te sluiten overeenkomst, nog niet maakt dat de
kortingdie daarop geldt ook essentieel is, onder andere omdat de korting vanwege haar aard en strekking “een relatief bescheiden invloed” op de totaal verschuldigde afkoopsom zou hebben (vgl. de afkoopsom uit de aanbiedingsbrief van € 32.634.- en die na aftrek van de korting van € 31.207,-). Het hof is hier volgens de Gemeente te kort door de bocht gegaan (s.t. onder 31).
gehele aanbodonvoldoende bepaalbaar is en er in het geheel geen overeenkomst tot stand is gekomen.
grondwaarde. Het aanbod omvat twee te onderscheiden aspecten volgens de klacht, namelijk (i) de vaststelling van de nieuwe canon en de wijze van betaling daarvan en (ii) de vaststelling van de nieuwe grondwaarde.
eerdere aanvaarding van 25 mei 2009, waarin [verweerster] koos voor een jaarlijks te betalen canon in plaats van een afkoopsom voor de gehele periode. Op dat moment koos [verweerster] voor een jaarlijkse canonbetalingsoptie waarvan de prijshoogte werd vastgelegd voor een periode van 25 jaar.
Bunde/Erckens [23] -factoren. Indien de hiervoor bepleite visie over onderdeel 2 gevolgd wordt, dat de gekozen route van het hof standhoudt, te weten dat vanwege het ontbreken van inzicht hoe de kortingsregeling doorwerkt op de afkoopsom er geen sprake is van een bepaalbaar aanbod, dan ontbreekt belang bij deze klacht in cassatie over de deelvraag of juist is dat [verweerster] als niet-deskundige kon afgaan op de door de Gemeente verstrekte informatie, of juist had moeten navragen of haar veronderstelling over 40% korting op de afkoopsom wel klopte. Ook omstandigheden (1) en (2) doen er niet aan af dat elk inzicht in bedoelde doorwerking ontbreekt in aanbiedingsbrief en toelichting en hiervoor is bepleit dat het hof dat zwaar kon en mocht wegen als gedaan. Ik meen dat inhoudelijke bespreking van onderdeel 3 zodoende achterwege kan blijven. Als er geen aanbod is geweest, is het weinig zinvol om je over deelaspecten van dat non-aanbod af te vragen of daarin misverstandelementen juist zijn geproefd door het hof. Daar behoeft dan niet aan te worden toegekomen. Ik meen dat het onderdeel daarop strandt.