Conclusie
1.Stichting Erfpachters Belang Amsterdam,
[A]en
[B],
[D]en
[E],
[C],
[F],
1.Inleiding
De waarde van het erfpachtperceel:
3.Procesverloop
Grief 1houdt in dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen (rechtsoverweging 4.2), artikel 5:85 lid 2 BW Pro - dat volgens SEBA c.s. directe werking heeft - van toepassing is, zodat zowel de verplichting voor de erfpachter om een jaarlijks canon te voldoen als de wijze waarop deze kan worden gewijzigd in de akte van vestiging moet zijn opgenomen. Nu de onderscheiden aktes van vestiging daaraan niet voldoen zijn de herzieningsbepalingen nietig, zo begrijpt het hof het standpunt van SEBA c.s., omdat deze niet in de akte maar in de diverse Algemene Bepalingen zijn opgenomen.
grief 2beroepen SEBA c.s. zich op artikel 3:84 lid 2 BW Pro dat inhoudt dat in de voor de overdracht van een goed vereiste titel dat goed met voldoende bepaaldheid moet zijn omschreven. Volgens hen voldoet artikel 5 of Pro 6 van de betrekkelijke Algemene Bepalingen niet aan dat vereiste, zodat de uitgifte in erfpacht in zoverre nietig is. Daarnaast betogen zij met
grief 3dat de bepaling in de Algemene Voorwaarden waarbij een nieuwe canon wordt vastgesteld door deskundigen, niet voldoet aan het vereiste van formele rechtszekerheid. Deze verplichting brengt mee, zoals ook voortvloeit uit de artikelen 3:1 lid 2 Awb en 3:14 BW, dat een overheidsbesluit duidelijk en ondubbelzinnig moet zijn geformuleerd en dat betekenis er van niet afhankelijk mag zijn van de uitleg door een ander, aldus SEBA c.s.
grieven 4 en 8-11lenen zich voor gezamenlijke behandeling, omdat zij alle betrekking hebben op de toetsing aan de artikelen 6:236 en 6:237 BW van de door de Gemeente gebruikte Algemene Bepalingen, zijnde algemene voorwaarden in de zin van artikel 6:231 BW Pro. Het hof stelt daarbij voorop dat ingevolge artikel 191 Ow Pro afdeling 3 van titel 5 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek op de door de Gemeente gebruikte Algemene Bepalingen van toepassing is vanaf één jaar na de inwerkingtreding van bedoelde afdeling, derhalve vanaf 1 januari 1993, en dat in afwijking van artikel 79 Ow Pro eerder overeengekomen strijdige bepalingen kunnen worden vernietigd.
grieven 5-7lenen zich voor gezamenlijke behandeling. SEBA c.s. hebben daarin de bezwaren verwoord die zij hebben tegen de wijze waarop volgens AB15, AB34 en AB37 na ommekomst van de termijn van 75 jaar een nieuwe erfpachtcanon moet worden bepaald. Volgens hen is de bedoeling van het wettelijk erfpachtstelsel dat de Gemeente geen winst zal maken op de in erfpacht uitgegeven terreinen. De canon moet volgens de wetgever gesteld worden op een matig bedrag en dat dient ook het uitgangspunt te zijn voor de hoogte van de canon na herziening daarvan. Volgens SEBA c.s. is de meest objectieve en logische methode een indexatie van de canon aan de hand van de inflatie. Volgens hen wordt met die methode voldaan aan artikel 1 van Pro het Eerste Protocol van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, omdat alleen op die wijze een evenwichtige toedeling van de waardestijging van de grond wordt verkregen.
grief 12, dat de gemeente niet alleen de kopers van erfpachtrechten maar ook de Amsterdamse burgers, zittende erfpachters, potentiële erfpachters, makelaars, taxateurs en andere derden voldoende en correct dient voor te lichten over het Amsterdamse erfpachtstelsel. Dat had de Gemeente behoren te doen vanaf het moment van eerste uitgifte en wel over het feit dat zij de Algemene Voorwaarden zo uitlegt dat zij na elk tijdvak de regels volledig naar eigen inzicht mag wijzigen, dat een Amsterdamse erfpachter elke vijftig jaar de volledige waarde van de grond afdraagt en dat erfpachtrechten aanzienlijk minder waard zijn dan vol eigendom. De voorlichting van de Gemeente is eenzijdig en niet juist, hetgeen in strijd is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en daarmee onrechtmatig, aldus SEBA c.s..
grief 13betoogt SEBA dat ook anderen dan [A] , [C] , [E] en [F] zich moeten kunnen beroepen op de uitkomst van deze procedure. Met name doelt zij daarbij op de mogelijkheid dat ook deze anderen alsnog een beroep doen op de vernietigbaarheid van een ten aanzien van ieder van hen uitgebracht bindend advies van deskundigen.
3.Beslissing
4.De cassatieberoepen
5.Regeling van de canonherziening in de Algemene Bepalingen; bepaaldheid
titelis onduidelijk wat de bepaling precies toevoegt aan art. 6:227 BW Pro. Men zou eruit kunnen opmaken dat de aan de overdracht van een goed of vestiging van een beperkt recht ten grondslag liggende rechtsverhouding (de titel) de levering of vestiging moet rechtvaardigen. [48]
levering(c.q. bij de vestiging van een beperkt recht) het goed met voldoende bepaaldheid wordt omschreven, met andere woorden dat het goed voldoende geïndividualiseerd is. In die betekenis voegt art. 3:84 lid 2 BW Pro iets toe aan art. 6:227 BW Pro en is zij ook is “iets strikter” geformuleerd zoals de MvA II Inv. opmerkte. Dit bepaaldheidsvereiste (ook wel de ‘specialiteitseis’ of ‘individualiseringseis’ genoemd) gold ook onder oud recht. [49]
eerste cassatiemiddel van Seba c.s.komt op tegen de overweging in rov. 2.4, dat aan art. 767 (oud) BW – onbetwist − is voldaan. Volgens het middel hebben Seba c.s. in MvG nrs. 3.6-3.20 wel betwist dat aan art. 767(oud) BW is voldaan.
tweede cassatiemiddel van Seba c.s.komt in
onderdeel 1 (eerste klacht)op tegen de verwerping van grief 2 in rov. 2.5.1 met het argument, kort gezegd, dat het overgangsrecht eraan in de weg staat dat de onder het oude recht geldig gevestigde erfpachtrechten niet nietig kunnen worden doordat het recht nadien wijzigt. Het hof zou daarbij over het hoofd zien dat de nietigheid schuilt in het niet voldoen aan het bepaalbaarheidsvereiste, dat zowel gold onder het oude als het huidige BW, zodat het overgangsrecht hier feitelijk geen rol speelt.
tweede cassatiemiddel van Seba c.s.komt in
onderdeel 2op tegen de verwerping van het beroep op het formele rechtszekerheidsbeginsel.
6.Zijn de Algemene Bepalingen onredelijk bezwarend?
middel 3over het oordeel in rov. 2.6.1, dat de canonherzieningsregeling in de AB-en geen beding als bedoeld in art. 6:236 onder Pro n BW is. Dit is een kwestie die kan worden beoordeeld op basis van het nationale recht zonder invloed van de Europese Richtlijn oneerlijke bedingen.
onderdeel Adat het hof de wijzigingsbevoegdheid in de AB-en niet ambtshalve aan de Richtlijn oneerlijke bedingen mocht toetsen nu de Richtlijn niet ziet op de onderhavige rechtsverhoudingen, en dat deze toetsing ook overigens niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. De klacht van Seba c.s. in
middel 4houdt daarentegen in dat het hof ook de canonherzieningsbepaling ambtshalve had moeten toetsen. Ik bespreek daarom eerst de klacht van de Gemeente en daarna die van Seba c.s.
onderdeel Cvan het middel van de Gemeente de verhouding tussen haar en [C] aan de orde stelt, is het praktisch om thans dat onderdeel te bespreken.
onderdeel A.3(het hof heeft miskend, dat de rechtspraak over ambtshalve toetsing van oneerlijke bedingen niet beoogt af te doen aan de rechtspraak dat richtlijnen geen directe werking hebben in horizontale verhoudingen) eveneens dient te falen.
onderdeel A.4óók dat het hof niet kon toekomen aan een richtlijnconforme interpretatie van art. 6:233 sub a BW Pro, omdat de Richtlijn niet van toepassing is, zoals wordt betoogd bij onderdeel A.2.
Onderdeel A.3bouwt hierop voort door te klagen dat het hof heeft miskend, dat de rechtspraak over ambtshalve toetsing van oneerlijke bedingen beperkt is tot gevallen waarop de Richtlijn ziet en dat het hof had moeten constateren dat de Richtlijn niet ziet op de onderhavige overeenkomsten.
onderdeel A.7. Blijkens HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691 ( [G/H] ), rov. 3.9.1 dient de rechter het beginsel van hoor en wederhoor in acht te nemen en partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over zijn vermoeden dat een overeenkomst onder het bereik van de Richtlijn oneerlijke bedingen valt en een beding bevat dat oneerlijk is en, zo nodig, hun stellingen daaraan aan te passen. [85] Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het hof dit heeft gedaan.
Subonderdeel A.6.1wijst erop dat volgens de rechtspraak van het HvJEU deze lijst niet bindend maar indicatief is en dat op de lijst opgenomen bedingen niet per se onder alle omstandigheden oneerlijk mogen worden genoemd, [86] alsmede dat een op de omstandigheden van het geval afgestemde motivering, zoals vereist door HR 21 september 2012, [87] ontbreekt.
Subonderdeel A.6.2klaagt dat het hof in zijn motivering geen aandacht heeft geschonken aan enige omstandigheden waarop de Gemeente zich had beroepen, kort gezegd (1) het moment waarop de erfpachtrechten zijn gevestigd en de opvattingen (destijds) omtrent eenzijdige wijzigingsbedingen, (2) dat partijen destijds wensten dat de voorwaarden na 75 jaar geactualiseerd zouden worden, waarbij voorzienbaar was dat de Gemeente en erfpachter dan belang zouden hebben bij actualisering ervan en (3) dat de Gemeente ten aanzien van de aan een rechtspersoon uitgegeven erfpachtrechten geen rekening behoefde te houden met latere regelgeving ter bescherming van de consument.
middel 4(
nr. 17-18) dat het hof in rov. 2.6.2 heeft nagelaten ambtshalve te onderzoeken of ook de canonherzieningsbepaling [92] op andere dan door eisers aangevoerde gronden onredelijk bezwarend zijn. Het middel stelt dat het hof dit ambtshalve had moeten doen, mede gezien de arresten HvJEU 21 maart 2013 (RWE Vertrieb) [93] en HR 13 september 2013 ( [G/H] ).
onderdeel A.2.Avan het middel van de Gemeente volgt, dat dit middel faalt. [94] De AB15/34/37 vallen buiten het temporele toepassingsbereik van de Richtlijn oneerlijke bedingen.
Seba c.s. middel vier(
nr. 19), kort gezegd, (i) de overweging aan het slot van rov. 2.6.2 in strijd met de genoemde rechtspraak van het HvJEU over de Richtlijn oneerlijke bedingen en heeft (ii) het hof de devolutieve werking van het appel miskend omdat in MvG nr. 3.201 werd verwezen naar relevante vindplaatsen.
7.Maatstaven voor de bepaling van de herziene canon (Seba c.s. middel 5)
vijfde middelvan Seba c.s. bestrijdt de overweging in rov. 2.7.1. dat het hof voor zichzelf geen taak ziet weggelegd om parameters vast te stellen ten behoeve van de deskundigen. Het middel klaagt dat het hof eraan voorbijziet dat er in casu bindend adviezen zijn vernietigd, voor welk geval art. 7:904 lid 2 BW Pro er in voorziet dat de rechter een beslissing kan geven.
nr. 21) is onbegrijpelijk dat het hof van zijn bevoegdheid uit art. 7:904 lid 2 BW Pro geen gebruik heeft gemaakt, zulks feitelijk ongemotiveerd doet en eisers tot cassatie maar verwijst naar de Gemeente. Gezien de reeds zeer lang tussen partijen lopende discussie acht het middel duidelijk dat die discussie tot niets leidt en dan is een rechterlijk ingrijpen geboden. Ten onrechte heeft het hof dat nagelaten; eisers hebben het hof ook gedetailleerd en goed onderbouwd uitgelegd waarom het te dezen een beslissing zou moeten en kunnen geven.
nr. 22) voegt daaraan toe dat eisers in de processtukken hebben aangegeven dat de werkelijke betekenis van de canon ten tijde van de uitgifte in 1915, 1934 en 1937 slechts een gematigd bedrag was ter erkentenis van de eigendom van de Gemeente, dat het matige karakter van de vergoeding bij de vaststelling van de nieuwe canon niet ineens anders kan worden en dat de huidige invulling die de deskundigen aan de herzieningsbepaling geven, daar totaal geen rekening mee houdt.
8.Heeft de Gemeente onrechtmatig gehandeld? (Seba c.s. middel 6)
nr. 25) faalt, omdat zij berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft, anders dan de klacht veronderstelt, niet miskend dat een belangenorganisatie in de zin van art. 3:305a BW op grond van art. 3:302 BW Pro een verklaring voor recht kan vragen dat de gemeente jegens hen die zij vertegenwoordigt, onrechtmatig handelt. Het hof heeft in rov. 2.2 onder (ii) – in cassatie onbestreden – overwogen dat Seba een stichting als bedoeld in art. 3:305a BW is met als doel de behartiging van de belangen van erfpachters van de door de Gemeente in erfpacht uitgegeven terreinen. Daarop sluiten aan de omschrijving van Seba als beschermer van de belangen van de zittende erfpachters en de overweging dat een mogelijke onrechtmatige daad van de Gemeente jegens anderen niet aan de orde is (rov. 2.8.1, tweede en derde volzin). Blijkens rov. 2.8 betrok Seba haar verwijt van onrechtmatig handelen door de Gemeente immers ook op bepaalde anderen, zoals makelaars en taxateurs. Het hof geeft aan dat het niet gaat om de positie van die anderen, maar om de positie van de zittende erfpachters. Dat zijn erfpachters die hun recht hebben gekocht van een andere zittende erfpachter of hebben verkregen bij eerste uitgifte. [98]
nr. 26ziet op de overweging: “Kennelijk meent SEBA dat de Gemeente allen die voornemens zijn een erfpachtrecht te kopen, ter zake indringend dient voor te lichten over de gevolgen daarvan.” Volgens de klacht heeft het hof de stelling in MvG nr. 3.208 en pleitnota nrs. 5.5-5.14 niet goed gelezen, omdat het hof zou hebben miskend dat de inzet van Seba was een algemene juiste voorlichting van de Gemeente jegens iedereen. De klacht faalt, want zij berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof geeft immers in rov. 2.8 de stelling van MvG nr. 3.208 nagenoeg letterlijk weer en besteedt in rov. 2.8.1 juist ook aandacht aan het verwijt dat geen voorlichting is gegeven.
nr. 26borduurt het hof voort op deze onjuiste aanname met zijn daarop volgende overweging: “Ten aanzien van hen die een erfpachtrecht kopen van een zittende erfpachter valt niet in te zien dat de Gemeente daarvan vooraf op de hoogte is of daarin gekend wordt, zodat evenmin valt in te zien dat de Gemeente de desbetreffende kopers vooraf kan waarschuwen.” Het hof reageert met deze overweging kennelijk op een stelling die het ook in de MvG nr. 3.208 heeft gelezen, namelijk dat de Gemeente een waarschuwingsplicht had jegens kopers. Onbegrijpelijk is die lezing niet, nu Seba c.s. daar hebben gesteld “De Gemeente had niet zozeer (althans niet alleen) op het tijdstip van een overdracht hoeven inlichten. Het gaat er niet (alleen) om dat kopers worden ingelicht maar dat Amsterdamse burgers (….) worden voorgelicht.” Ook deze klacht faalt daarom.
nr. 27is gericht tegen de overweging, dat particuliere kopers van woningen op erfpachtgrond zich kunnen en veelal ook zullen laten bijstaan door ter zake deskundige Amsterdamse makelaars. De klacht bevat een feitelijk betoog, dat erop neerkomt dat de makelaarswereld onkundig is van de parameters van de wijziging van de canon en de hoogte van de nieuw vast te stellen canon. De klacht faalt, omdat dit feitelijke betoog niet voor het eerst in cassatie kan worden aangevoerd en overigens ook niet afdoet aan de overweging dat “ter zake deskundige Amsterdamse makelaars” aan de kopers van erfpachtrechten relevante informatie kunnen geven ook al zou dat niet de specifieke informatie zijn waarop de klacht doelt.
nr. 28is gericht tegen de overweging: “Ook al zou de voorlichting van de Gemeente te kort schieten, zij betwist het, dan nog is dat niet voldoende om aan te nemen dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens degenen waarvoor SEBA opkomt.” De klacht verwijst naar het betoog van Seba c.s. bij pleidooi (pleitnota nrs. 5.12-5.14) waarin wordt betoogd (i) dat de Gemeente met sommige erfpachters een contractuele relatie heeft, (ii) dat op haar een ‘bijzondere zorgplicht’ rust, zoals ook op banken en verzekeraars die ingewikkelde financiële producten op de markt brengen (waarop ook wordt gewezen in
nr. 29) en (iii) dat een parallel getrokken kan worden met gevaarzetting.
nr. 29is gericht tegen de overweging: “Indien uit het betoog van SEBA c.s. nog zou moeten worden begrepen dat voor de gemeente een algemene zorgplicht geldt tegenover de in de eerste zin van rechtsoverweging 2.8 genoemden, dan heeft te gelden dat een zodanige algemene zorgplicht noch op grond van algemene beginselen van behoorlijk bestuur noch anderszins kan worden aangenomen.”
nr. 30betreft het transparantievereiste van de Richtlijn oneerlijke bedingen en strekt er kennelijk toe dat het hof daaraan ambtshalve had moeten toetsen in het kader van de aan de Gemeente verweten onrechtmatige daad. De klacht faalt, omdat de Richtlijn ziet op algemene voorwaarden en niet, althans niet zonder meer, een rol speelt in het kader van de onrechtmatige daad. Het middel geeft voorts niet aan dat deze (nadere) grondslag voor het aan de Gemeente verweten onrechtmatig handelen in feitelijke instanties is aangevoerd, wat in dat kader wel vereist is. Middel 6 faalt.
9.Verwijzing naar het gerechtshof Den Haag
E De SEBA c.s. verzoekt uw hof het vonnis van de rechtbank te vernietigen en bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
b. te verklaren voor recht dat artikel 6 van Pro de AB15, de AB34 en de AB37, voor zover het artikel ziet op herziening van de canon, onvoldoende bepaalbaar is en/of in strijd met de formele rechtszekerheid;
vernietigt ambtshalve de leden 1 van de artikelen 5 AB15, 6 AB34 en 6 AB37 voor zover overeengekomen tussen enerzijds [A] , [C] , [E] en [F] en anderzijds de Gemeente;”. Daarom had alleen Seba nog belang bij toewijzing van vordering E.II.a. Met betrekking tot deze vordering heeft het hof kennelijk de zaak verwezen.
e. artikelen 25 en 29 AB15, artikelen 26 en 30 AB34, artikelen 27 en 31 AB37, artikelen 20, 26, 28 en 33 van de AB94 en artikelen 19, 26, 29 en 34 van de AB2000, althans één of enkele daarvan, te vernietigen.”
artikel 6 van Pro de AB15, de AB34 en de AB37, voor zover het artikel ziet op herziening van de canon nietig of vernietigbaar is”respectievelijk dat “
artikel 5 van Pro de AB15 en artikel 6 van Pro de AB34 en de AB37, voor zover zij zien op wijziging van de algemene bepalingen, onredelijk bezwarend zijn en daarmee nietig of vernietigbaar”.