6.6. Voordat ik op deze bezwaren inga, wil ik aan de orde stellen dat mij als eerste aan de bestreden overweging van het hof is opgevallen, dat het hof niet een voorwaardelijk opzetconstructie heeft gebruikt om tot de bewezenverklaring te komen maar heeft overwogen dat “het niet anders kan zijn dan dat het opzet van de verdachte op de dood van [slachtoffer] gericht is geweest”. Hoewel dit aspect in de toelichting op het middel niet met zoveel woorden wordt aangeroerd, valt het mijns inziens binnen de grenzen van het middel, dat immers klaagt over de ontoereikende motivering van het bewezenverklaarde opzet.
6.7. Ik lees in de overweging van het hof dat het kennelijk van oordeel is, dat het opzet van de verdachte in onvoorwaardelijke zin gericht is geweest op de dood van het slachtoffer. Het lijkt erop dat het hof uit de gedragingen van de verdachte heeft afgeleid, dat de verdachte doelbewust het slachtoffer heeft gestoken met de intentie om hem te doden of dat uit het handelen van de verdachte zó noodzakelijk of zeker de dood van het slachtoffer voortvloeide, dat de verdachte zich hiervan wel bewust moet zijn geweest. Het is niet mijn bedoeling hier uitvoerig op de complexiteit van het opzetbegrip in te gaan, maar voor de beoordeling van het oordeel van het hof is het wel van belang dat opzet – in onvoorwaardelijke zin – een zeker doelgericht handelen veronderstelt en een subjectieve component bevat die met name als het gaat om geweldsdelicten wordt ingevuld door “het willen” van de verdachte.Heeft de verdachte in casu de dood van het slachtoffer gewild? Zeker als de verdachte daar zelf niets over heeft verklaard, of zoals in onderhavige zaak heeft ontkend dat hij de dood van het slachtoffer wilde, wordt de vraag of er sprake is geweest van opzet geobjectiveerd en ingevuld aan de hand van algemene ervaringsregels en normatieve zorgvuldigheidseisen, wat ook wel “normativeren” wordt genoemd: het objectiveren om tot een redelijke toerekening te komen. Daarbij wordt bijvoorbeeld meegewogen hoe de gedragingen van de verdachte moeten worden beoordeeld aan de hand van algemene ervaringsregels en dit gedrag vergeleken met wat een ‘normaal’ mens in vergelijkbare omstandigheden zou doen. Maar dat betekent niet dat de subjectieve component oftewel het “willen en weten” van de verdachte daarvan helemaal losgekoppeld zou kunnen of mogen worden. De Hullu schrijft hierover:
“Maar de echte normativering waarin het weten en willen niet van belang hoeven te zijn en het puur om redelijke toerekening gaat, heeft materieel het bezwaar dat niet duidelijk is waarom de band met de inhoud van opzet zou moeten worden losgelaten terwijl bovendien door de openheid van het begrip grote onzekerheid kan ontstaan. Dat geldt veel minder voor het toelaatbaar achten van objectivering die wordt gekoppeld aan een goede en concrete bewijsmotivering en die een duidelijk verband bewaart met de basis van opzet –
willen en weten, en wel in het bijzonder van de verdachte om wie het gaat.
6.8. Met name aan dat laatste, een goede en concrete bewijsmotivering schort het in het arrest van het hof in onderhavige zaak. Dat wordt mede veroorzaakt doordat het hof uit “de uiterlijke verschijningsvorm” van de handelingen van de verdachte, het opzet heeft afgeleid en daarbij bewoordingen heeft gebruikt die ontleend zijn aan de voorwaardelijk opzetformule: kunnen gedragingen gelet op hun uiterlijke verschijningsvorm, worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg (in casu het doodsteken van een ander) dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.Uit de summiere motivering van het hof valt niet op te maken of het hof bedoeld heeft voorwaardelijk opzet aan te nemen. Over het aanvaarden van een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft het hof in ieder geval niets overwogen. Weliswaar blijkt uit het door het hof gebezigde bewijsmiddel 1, de verklaring van de verdachte ter terechtzitting, dat hij het slachtoffer toen hij voor de tweede maal werd aangevallen in de rug heeft gestoken, maar ook uit deze verklaring blijkt niet zonder meer dat hij dit doelgericht gedaan heeft om het slachtoffer dood te steken. Uit de andere gebezigde bewijsmiddelen kan dit ook niet worden afgeleid.
Gelet op het bovenstaande is het oordeel van het hof dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer ontoereikend gemotiveerd.
6.9. Naar mijn mening heeft de steller van het middel dat het oordeel van het hof over het opzet van de verdachte ten aanzien van de messteek in de buik niet goed begrijpelijk is, ook zeker een punt. Ten aanzien hiervan heeft het hof overwogen dat het slachtoffer bij het naar zich toetrekken van de verdachte “in het mes is gelopen”. Voor het bewijs heeft het hof de verklaring van de verdachte weergegeven in bewijsmiddel 1 gebruikt, die inhoudt dat het slachtoffer bij het naar zich toetrekken van de verdachte “het mes heeft geraakt”. Hoe het hof, zonder nadere motivering, uit deze gedragingen heeft kunnen afleiden dat deze “zozeer gericht zijn op de dood van [slachtoffer] dat het niet anders kan zijn dan dat het opzet van de verdachte op de dood van [slachtoffer] gericht is geweest”, is mij eerlijk gezegd een raadsel.
6.10. Ook als het hof bedoeld zou hebben, dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans op het gevolg van zijn gedragingen – de dood van het slachtoffer – heeft aanvaard, dan nog is dat met betrekking tot de messteek in de buik van het slachtoffer, gelet op hetgeen het hof over de feitelijke gang van zaken heeft vastgesteld, zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Dat geldt ook voor de messteek in de rug. Het hof heeft bijvoorbeeld niets vastgesteld over de aard van deze verwonding of waar in de rug de verwonding is geconstateerd en dit blijkt evenmin uit de onderdelen van het rapport van het NFI, die het hof voor het bewijs heeft gebruikt. Daarbij acht ik het voor de beantwoording van de vraag of de verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer niet echt relevant, zoals in het middel wordt betoogd, dat in het midden is gebleven welke van de verwondingen tot de dood van het slachtoffer hebben geleid. Maar uit de aard van de verwondingen zou wel iets kunnen worden afgeleid over de vraag of de verdachte bij het steken bewust op de koop toe moet hebben genomen, dat het slachtoffer aan de gevolgen daarvan zou overlijden.
6.11. Kortom, de bewezenverklaring van het opzet van verdachte op de dood van het slachtoffer is niet begrijpelijk en door het hof ontoereikend gemotiveerd.
6.12. Het middel slaagt.