Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.Toepasselijke wet- en regelgeving
5.Jurisprudentie en literatuur
BNB2012/37 [10] door over wederom een lening in de verhouding tussen een moeder- en een dochtervennootschap (ditmaal van de moeder aan de dochter: de zogenoemde lening omlaag) te oordelen:
BNB2012/78 [11] oordeelde de Hoge Raad vervolgens dat deze regel eveneens toegepast dient te worden op het kwijtscheldingsverlies op een lening van een dga aan zijn vennootschap. Omtrent de verwerking van het niet-aftrekbare verlies oordeelde de Hoge Raad:
BNB2013/149 [12] expliciteert de Hoge Raad dat de niet-aftrekbaarheid van een afwaarderingsverlies op een onzakelijke lening omlaag zijn grondslag vindt in de werking van de deelnemingsvrijstelling (artikel 13 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969):
Van Scharrenburg [13] plaatsen het arrest HR
BNB2008/191 in het kader van consistente jurisprudentie sinds 1939:
BNB1955/46 als arrest waarin het effect van de afwaardering van een zogenoemde onzakelijke lening reeds aan de orde is gekomen. Vervolgens gaat hij in op de theoretische onderbouwing, welke in feite neerkomt op een toerekeningsvraagstuk – waar hoort het risico thuis? – van de onzakelijke lening (omhoog, opzij en omlaag):
Schuver [15] zien de onzakelijke-leningjurisprudentie echter wel als een nieuw fenomeen:
BNB2012/78, voor het gedeelte dat ziet op de eliminatie van de invloed van het onzakelijk handelen bij de ter beschikkingsteller, louter de bevestiging is van reeds lang bestaande jurisprudentie:
6.Beschouwing en beoordeling van de middelen
BNB2012/37 in de onderhavige zaak niet zou gelden.
BNB1955/46 overwoog de Hoge Raad dat belanghebbende ‘
om redenen aan de bedrijfsdoeleinden vreemd het risico heeft aanvaard dat de vordering niet zal worden voldaan’en dat daarom
‘de waardevermindering en het uiteindelijk onvoldaan blijven van de vordering voor zijn persoonlijk risico behoren te komen, zodat in de op de vordering toegepaste afschrijvingen en de eventuele algehele afboeking daarvan tevens een onttrekking aan het bedrijfsvermogen tot uitdrukking komt’.
Engelen en Van Scharrenburg, [19] Albert [20] en
Rijkers [21] ben ik van mening dat de zogenoemde onzakelijke-leningarresten [22] in dezelfde traditie staan als het hierboven genoemde arrest. In elk van die zaken wordt geoordeeld dat de afwaardering van een overigens op zakelijke gronden aangegane vordering desalniettemin buiten de belaste sfeer dient te worden afgewikkeld [23] omdat een onzakelijk debiteurenrisico is genomen. Dit heeft tot gevolg dat HR
BNB1955/46 zijn gelding met deze arresten niet heeft verloren.
BNB2013/149 [26] – de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is, slaagt evenmin. De niet-aftrekbaarheid volgt in belanghebbendes geval immers direct uit toepassing van het totaalwinstbeginsel. [27]
BNB2008/191 het aandeelhoudersmotief volgt uit de vaststelling dat een debiteurenrisico is genomen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, zo volgt in de onderhavige casus het privémotief uit diezelfde vaststelling. ’s Hofs oordeel is ook overigens niet onbegrijpelijk, zodat het tweede middel van belanghebbende in zoverre geen doel kan treffen.
BNB1955/46, waarin een dergelijke route eveneens gevolgd wordt.