Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
INBRENG
Rechtbank Gelderland
Eiser, zijn echtgenote en hun zoon exploiteren samen een potplantenkwekerij in maatschapsverband. Door bedrijfsverliezen en privéopnamen zijn tekorten op de kapitaalrekeningen ontstaan, met name bij de zoon. Eiser wil een deel van de vordering van de maatschap op de zoon als ondernemingsverlies aftrekken op hun box 1 inkomen.
De Belastingdienst handhaafde de aanslag inkomstenbelasting 2007, maar de rechtbank oordeelt dat de onzakelijke lening jurisprudentie van de Hoge Raad niet van toepassing is op deze maatschapssituatie. De rechtbank stelt dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat zakelijk handelende ondernemers in een maatschap hun vennoot zouden verplichten tot aanzuivering of andere voorwaarden.
Verder heeft eiser aannemelijk gemaakt dat de vordering op de zoon grotendeels oninbaar is, mede door diens beperkte financiële positie en afwijzing van financieringsaanvraag. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vermindert de aanslag tot nihil en stelt het verlies uit werk en woning vast op €103.135. Tevens veroordeelt zij verweerder in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag IB/PVV 2007 tot nihil met een vastgesteld verlies van €103.135.