Conclusie
1.Feiten
Alle werkzaamheden als bedoeld onder deel 4.2 Werktuigbouwkundige Installaties, deel 4.3 Elektrotechnische installaties, alsmede deel 4.1 Stabubestek hoofdstuk 53 Sanitair;
De opdrachtgever zal het aan de aannemer toekomende volgens de in de overeenkomst gestelde regelen voldoen. ”
1 Karakter bestek
toetsing vindt plaats door te controleren of het onderdeel volgens de technische specificaties is gemaakt en functioneert. Het functioneren van het onderdeel valt onder de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever.
toetsing vindt plaats door na te gaan of aan alle randvoorwaarden wordt voldaan en of de genoemde prestaties geleverd kunnen worden. De te leveren prestatie valt onder de verantwoordelijkheid van de aannemer.
2.Procesverloop
oktober 1988, p. 5).
(...) duidelijk moet worden gemaakt dat het “vertraagd” betrekking heeft op een ononderbroken vertraging van het gehele werk”(tweede notitie par. 14 lid 8).
geheledoor Aan de Stegge aangenomen werk twee maanden heeft stilgelegen (als gevolg van aan de Combinatie toe te rekenen omstandigheden), terwijl in het bijzonder niet is komen vast te staan dat daarvan sprake is geweest in de twee maanden direct voorafgaand aan 1 september 2008, het moment waarop Aan de Stegge het werk met een beroep op § 14 lid 8 UAVTI in onvoltooide staat heeft beëindigd. Verder staat vast dat Aan de Stegge het werk in die laatste periode heeft geschorst wegens het uitblijven van betaling van de tweede termijn, ook nadat de Combinatie de desbetreffende factuur in juni 2008 had voldaan. Ook indien Aan de Stegge gelet op het (volgens haar) uitblijven van betaling van de bij die factuur tevens gevorderde rente - waarvan de Combinatie de verschuldigdheid heeft betwist - bevoegd was tot schorsing, kan paragraaf 14 lid 8 UAVTI, in het licht van de hiervoor onder 3.8 daaraan gegeven uitleg, niet zo worden begrepen dat de in die bepaling gegeven specifieke remedie mede is bedoeld voor het geval dat de aannemer zelf het werk (al dan niet bevoegdelijk) schorst en uit die schorsing een ononderbroken vertraging gedurende twee maanden van het werk voortvloeit. Voor het rechtsgeldig inroepen van de beëindiging op grond van de ononderbroken vertraging van het gehele werk is dan ook vereist dat Aan de Stegge in die periode feitelijk niet meer verder kon met (al) haar werkzaamheden. Dat dit het geval is, is door de Combinatie gemotiveerd betwist (memorie van antwoord, 35 e.v., 121-122) terwijl de Combinatie ook onderbouwd heeft gesteld dat Aan de Stegge in die periode wel degelijk werkzaamheden heeft verricht. Uit de daartoe door de Combinatie overgelegde producties (productie 38-47 bij conclusie van antwoord; productie 4 bij memorie van antwoord) blijkt integendeel dat partijen in de twee maanden vóór 1 september 2008 verschillende keren hebben gecorrespondeerd over verschillende onderdelen van het werk. Gelet op deze (gemotiveerde en onderbouwde) betwisting door de Combinatie heeft Aan de Stegge haar stelling dat zij gedurende de maanden juli en augustus 2008 niet meer verder kon met enig werkonderdeel, waaronder de tot de opdracht behorende ontwerpwerkzaamheden, onvoldoende toegelicht en onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbijgaat. Bovendien heeft Aan de Stegge op dit punt niet voldoende concreet en specifiek bewijs aangeboden, zodat, nu het hof geen aanleiding ziet tot het ambtshalve opdragen van bewijs, de juistheid van haar stellingen niet is komen vast te staan.
grief IIheeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de Combinatie is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar ingevolge paragraaf 5 UAVTI 1992 rustende verplichting tot informatieverstrekking. Het hof stelt voorop dat ook volgens de stellingen van Aan de Stegge (memorie van grieven, 39 tot en met 88) een (aanzienlijk) deel van de gevraagde informatie vóór juli 2008 verstrekt. Zo zijn volgens Aan de Stegge van de door haar bij productie 67 bij conclusie van repliek en memorie van grieven 46 e.v. genoemde negen voorbeelden alleen de vragen ten aanzien van de ‘luchttoevoerkanalen verblijfsruimtes’ en het luchtafvoerkanaal E- en I-ruimtes en de trillingsdempers in relatie tot plaatbeluchters niet geheel/definitief opgelost.
3.De gevolgen van het faillissement van Imtech Nederland B.V.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
geheledoor haar aangenomen werk twee maanden heeft stilgelegen, en (ii) dat niet is komen vast te staan dat daarvan sprake is geweest in de twee maanden direct voorafgaand aan de beëindiging in onvoltooide staat per 1 september 2008. In dat kader heeft het hof verder geoordeeld dat Aan de Stegge haar stelling dat zij gedurende de maanden juli en augustus 2008 niet meer verder kon met enig werkonderdeel, waaronder de tot de opdracht behorende ontwerpwerkzaamheden, onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd
gehelewerk twee maanden heeft stilgelegen en dat daarvan sprake is geweest in de twee maanden direct voorafgaand aan 1 september 2008. Voor zover de klacht ziet op ontbinding is het volgende van belang. Het hof heeft in rov. 3.19 - ten overvloede [24] - overwogen dat, indien op 1 september 2008 nog sprake was van een tekortkoming in de nakoming van een verplichting tot het verschaffen van informatie, het beroep op ontbinding strandt op het verzuimvereiste. Aan de Stegge had volgens het hof onvoldoende (concreet) gesteld dat de Combinatie met de beantwoording van informatievragen in verzuim is geraakt. Het hof verwierp het beroep van Aan de Stegge op rechtspraak waarin is geoordeeld dat een ontbinding zonder verzuim mogelijk is als het gaat om een tekortkoming in de nakoming van een duurverplichting die voor het verleden niet meer ongedaan kan worden gemaakt. [25] Volgens het hof was dit beroep te laat gedaan en was de informatieverschaffing bovendien niet gelijk te stellen met de duurverplichtingen in deze rechtspraak (rov. 3.19, verder uitgewerkt in rov. 3.29). In deze redenering ligt m.i. besloten dat de (beweerdelijk) vóór 1 september 2008 maar met vertraging beantwoorde vragen volgens het hof geen grond voor ontbinding opleveren: met het alsnog beantwoorden heeft de Combinatie haar tekortkomingen op dit punt ongedaan kunnen maken.
Uitgaande van de definitie uit de aanbestedingsleidraad is het werktuigbouwkundig bestek grotendeels een traditioneel of technisch bestek. Volgens de aannemer is het enige functionele besteksonderdeel de persluchtvoorziening. Vitens kan zich vinden in dit standpunt maar sluit niet uit dat er nog andere onderdelen in het bestek kunnen zitten die functioneel zijn gespecificeerd."
allebestekonderdelen meen ik dat het hof in rov. 3.18 niet nader behoefde te motiveren dat Aan de Stegge per vraag had moeten toelichten dat de Combinatie tot beantwoording verplicht was. [32] De slotsom is dat het onderdeel faalt.