Conclusie
1.[verweerster 1] ,
[verweerster 2], (hierna gezamenlijk: [verweersters] ).
3. Koopprijs, Kwijting
2.Procesverloop
(...) dat inderdaad sprake is van een kredietovereenkomst tussen Escura Nederland B. V. en de vennootschap (de Holding;hof), volgens welke Escura Nederland B. V. aan de vennootschap een krediet ter beschikking stelt van € 1.261.225,-, doch dat dat krediet feitelijk nooit is opgenomen of uitbetaald. Het bedrag van € 1.261.225,- is weliswaar door Escura Nederland B. V. betaald, doch niet ten titel van geldlening aan de vennootschap, maar als koopprijs voor het 30% aandelenpakket in de vennootschap aan [verweerster 2] en [verweerster 1] , waarna laatstgenoemden (ieder de helft van) het onderhavige bedrag hebben geleend aan de vennootschap ter financiering van de overname van de apotheken.”
3.Bespreking van het cassatieberoep
onderdeel 1op Benu’s primaire betoog dat (i) Benu met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] is overeengekomen dat zij van elk van hen een 15%-belang in de Holding
om nietzou verkrijgen en dat (ii) art. 3 van Pro de notariële akte van aandelenoverdracht van 7 mei 2003 abusievelijk en ten onrechte vermeldt dat Benu van zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] zo’n 15%-belang in de Holding voor € 630.612,50
koopt. Het onderdeel erkent dat Benu niet heeft gesteld en geen bewijs heeft aangeboden dat zij bij de notaris anders heeft verklaard dan de notariële overdrachtsakte vermeldt.
datzij heeft verklaard zoals de akte vermeldt (en daarom behoeft zij niet te stellen dat zij iets anders heeft verklaard dan de akte vermeldt), maar betwisten dat waar is
watzij volgens de akte heeft verklaard. Dat laatste mag zij dan proberen te bewijzen [10] (mits uiteraard het bewijsaanbod aan de daaraan te stellen eisen voldoet). [11] Normaliter zal het debat zich dan ook richten op de bewijskracht van de in de akte opgenomen partijverklaring: kan deze partij ontkrachten dat waar is wat zij in de akte heeft verklaard?
subonderdeel 1.2.
subonderdelen 2.1.1 en 2.1.2stuiten hierop af.
subonderdelen 2.2.1-2.2.2veronderstellen dat het hof ambtshalve de vordering op de grondslag van onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW Pro) had moeten onderzoeken en ambtshalve de verjaring van die vordering op de voet van art. 3:309 BW Pro had moeten onderzoeken. Nog daargelaten of het hof gezien de vordering van Benu de vrijheid zou hebben gehad om de grondslag onverschuldigde betaling ambtshalve aan te vullen, [19] zou het gezien art. 3:322 lid 1 BW Pro in ieder geval niet ambtshalve hebben mogen toetsen of was voldaan aan de in art. 3:309 BW Pro bedoelde verjaringstermijn voor een vordering uit onverschuldigde betaling. [20]