Conclusie
1.Feiten en procesverloop
nietkan worden aangemerkt als een betekening aan de Ontvanger ‘in persoon’. Volgens het tussenarrest was de receptioniste niet gemandateerd stukken in ontvangst te nemen voor de Belastingdienst. Een betekening aan de toenmalige directeur van de Belastingdienst/CA zelf, [betrokkene 2], kantoorhoudend op genoemd adres, zou een betekening aan de Ontvanger ‘in persoon’ hebben opgeleverd; daarvan is in dit geval geen sprake (rov. 2.2). Het hof verwierp vervolgens de stelling van de belastingplichtige over een (latere) daad van de Ontvanger waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend was (rov. 2.3). Het hof besloot dat de Ontvanger tijdig verzet heeft ingesteld tegen het verstekvonnis (rov. 2.5). Met betrekking tot een ander geschilpunt heeft het hof nadere inlichtingen ingewonnen.
2.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
in persoon. Het antwoord op de vraag of de betekening heeft plaatsgevonden ‘in persoon’, is van belang om te kunnen vaststellen op welke datum de termijn van verzet tegen het verstekvonnis aanvangt. Om te kunnen spreken van een betekening aan de Ontvanger ‘in persoon’, is volgens de belastingplichtige niet nodig dat een afschrift van het exploot is uitgereikt aan de directeur van de Belastingdienst/CA persoonlijk: uitreiking aan een door de Ontvanger daartoe aangewezen persoon zou al voldoende zijn.
van het verstekvonnisheeft plaatsgevonden, onbegrijpelijk. Weliswaar heeft de Ontvanger erkend dat de betekeningshandeling als zodanig rechtsgeldig was, maar de Ontvanger heeft in de procedure óók het standpunt ingenomen dat daarmee nog geen geldige betekening
van het verstekvonnishad plaatsgevonden: de Ontvanger achtte de betekeningshandeling op 17 juni 2011 incompleet, omdat de deurwaarder de inleidende dagvaarding niet heeft meebetekend met het verstekvonnis. De tekst van het verstekvonnis bevatte slechts een (te) summiere aanduiding van het gevorderde.
erop mocht vertrouwendat de betrokken receptioniste bevoegd was om een afschrift van het exploot voor de Ontvanger in ontvangst te nemen, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting: voor een betekening in persoon vereist art. 143 lid 2 Rv Pro uitdrukkelijk dat de betreffende persoon is ‘aangewezen’. Enkel de omstandigheid dat de belastingplichtige ‘erop mocht vertrouwen dat de receptioniste was aangewezen’ is daarom niet voldoende om de termijn voor verzet tegen het verstekvonnis te doen aanvangen.
overeenkomstigkan worden toegepast. Het standpunt van de belastingplichtige berust, naar de kern genomen, op drie stellingen:
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
namens hemafschriften van deurwaardersexploten in ontvangst te nemen. Een
algemeenmandaat moet schriftelijk worden verleend; zie art. 10:5 lid 2 Awb Pro. Uit het oordeel dat de receptioniste niet formeel was aangewezen volgt dat het hof in ieder geval niet aannemelijk achtte dat aan de receptioniste een algemeen mandaat was verleend. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat deze constatering niet uitsluit dat sprake is geweest van materiële bevoegdheidsverlening. Zo valt bijvoorbeeld te denken aan de mogelijkheid van een informele (mondelinge) volmacht voor één concreet geval. Ik stel me hierbij een situatie aan de balie voor, waar een receptioniste de deurwaarder te woord staat, telefonisch contact opneemt met (de secretaresse van) de directeur van de Belastingdienst/CA en dan te horen krijgt dat de directeur nu even geen tijd heeft, waarna de directeur mondeling een volmacht aan de receptioniste verleent om het afschrift van dat ene exploot namens hem in ontvangst te nemen. In appel is over een dergelijke (informele) vorm van bevoegdheidsverlening niets naar voren gebracht waarop het hof had kunnen responderen. In het oordeel van het hof ligt besloten dat evenmin gebleken is van enigerlei andere vorm van mandatering. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Overigens leidt deze discussie in geen geval tot de slotsom dat betekening heeft plaatsgevonden aan de Ontvanger ‘in persoon’, zoals hiervoor bij de behandeling van het incidenteel middel is uiteengezet. Uit het voorgaande volgt tevens dat, en waarom, de klacht onder (ii) van onderdeel 1 – een motiveringsklacht over een innerlijke tegenstrijdigheid in de redengeving – geen doel treft.
onderdeel 1 onder (iii): of de desbetreffende receptioniste als uitzendkracht dan wel als ambtenaar werkzaam was voor de Belastingdienst/CA, is inderdaad niet beslissend voor een aanwijzing op de voet van art. 49 Rv Pro, noch voor de mogelijkheid van een mandaat op de voet van titel 10.1 Awb. In deze titel maakt de Algemene wet bestuursrecht slechts onderscheid naar gelang de gemandateerde wel of niet werkzaam is “onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever”. De klacht onder 1.7, die inhoudt dat het hof regels van bewijslastverdeling niet goed heeft toegepast (was de desbetreffende receptioniste wel of niet in dienst van Uitzendbureau Randstad?), leidt om de hiervoor genoemde redenen niet tot vernietiging van de bestreden uitspraken. Bovendien treft die klacht naar mijn mening geen doel omdat de stelling van de Ontvanger, dat de desbetreffende receptioniste toen in dienst was van een uitzendbureau, deel uitmaakt van de onderbouwing van zijn ontkenning (een zgn. “neen, want”-verweer). De initiële stelling was immers de stelling van de belastingplichtige dat het verstekvonnis aan de Ontvanger in persoon is betekend op 17 juni 2011, zodat de termijn voor verzet was verstreken. De rechtsklacht onder 1.8 mist feitelijke grondslag en de algemeen geformuleerde motiveringsklacht mist doel.
onderdeel 3herhaalt de belastingplichtige de klacht over het niet honoreren van het bewijsaanbod. De rechts- annex motiveringsklacht onder 3.4 dient ter inleiding op de daarna volgende klachten. Onder 3.5 – 3.7 klaagt het middel dat het hof de bewijsaanbiedingen van de belastingplichtige te beperkt heeft opgevat en met name niet is ingegaan op de bewijsaanbiedingen in de memorie van antwoord onder 7.25, 7.27 en 7.35. Onder 3.8 wijst de belastingplichtige erop, dat een aanbod van
tegenbewijs niet gespecificeerd behoeft te zijn. Onder 3.9 vat de belastingplichtige deze klachten samen.
in casu: zijdens [betrokkene 2]; de door de belastingplichtige ingeschakelde deurwaarder was ondanks een uitdrukkelijk verzoek van het hof (eerste tussenarrest blz. 5) niet meegekomen) en een bewijsopdracht had behoren te geven op alle punten waarop de belastingplichtige bewijs had aangeboden.