Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 4 februari 2015 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 772.051,05 en de betrokkene verplicht tot betaling van € 639.286,62 aan de Staat. De betrokkene stelde een middel van cassatie voor gericht tegen het oordeel van het hof dat het draagkrachtverweer zonder nadere motivering terzijde heeft gesteld.
Namens de betrokkene werd aangevoerd dat hij niet in staat is het bedrag te betalen en dat dit ook in de toekomst niet zal veranderen, mede vanwege zijn leeftijd, opleiding en huidige inkomen van € 3.200 per maand. Het hof heeft dit draagkrachtverweer kennelijk niet als een uitdrukkelijk onderbouwd verweer opgevat waarop een gemotiveerde beslissing vereist is.
De Hoge Raad herhaalt het uitgangspunt dat draagkrachtverweren in beginsel in de executiefase aan de orde dienen te komen en dat in het ontnemingsgeding alleen dan op draagkracht kan worden beslist indien duidelijk is dat geen draagkracht bestaat. Het hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat uit het inkomen van de betrokkene niet kan worden afgeleid dat hij geen draagkracht heeft.
Het middel faalt en de Hoge Raad ziet geen aanleiding om ambtshalve te vernietigen. De conclusie van de Procureur-Generaal is om het cassatieberoep te verwerpen. Deze zaak hangt samen met andere zaken met rolnummers 15/00782 en 15/00785.