Conclusie
middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring, voor zover deze betrekking heeft op het opzettelijk aanwezig hebben van drie zakjes cocaïne en dertig bolletjes cocaïne (feit 1) en het opzettelijk voorhanden hebben van lidocaïne (feit 2), mede in het licht van hetgeen namens de verdachte is aangevoerd, ontoereikend is gemotiveerd.
op 11 september 2014 te Amsterdam om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne voor te bereiden en/of te bevorderen 94,8 gram lidocaïne voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit”.
In casu blijkt dat de verdovende middelen die zichtbaar zijn op foto 2 t/m 9 op een wijze zijn aangetroffen door de opsporingsambtenaren waaruit blijkt dat de drugs niet zichtbaar was voor het oog. Het zat ofwel verstopt in een plastic zak die vervolgens in een zwartkleurige sok zat en vervolgens in een kartonnen doos zat ofwel zat het in een plastic zak die weer in zwartkleurige sokken “verstopt was” ofwel in een witkleurige papieren zak met de opdruk “headshot”. Kortom, alleen indien blijkt dat cliënt die dozen, sokken of papieren zakken heeft aangeraakt en heeft opengemaakt kan de conclusie getrokken worden dat cliënt niet bewust kon zijn van de verdomi in die verpakkingen. Zonder dat vast te stellen kan niet gezegd worden dat cliënt die daar mogelijk een doos en zwarte sokken heeft strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden daarvoor. Er zijn geen vingerafdrukken van cliënt op die goederen aangetroffen en ook uit de verklaring van cliënt volgt daaromtrent niets. Kortom, dit is een heel belangrijk argument om cliënt vrij te spreken. Verzoek vrijspraak.”