Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
26 januari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor het voorwaardelijk opzet op de invoer van cocaïne. Verdachte had op verzoek van een kennis vanuit Suriname bonbons meegenomen naar Nederland, waarin de cocaïne was verborgen.
Het cassatieberoep werd ingesteld door verdachte en behandeld door de Hoge Raad. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat het middel geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriep.
Het arrest werd gewezen door de vice-president van de Hoge Raad, A.J.A. van Dorst, en raadsheren J. de Hullu en E.F. Faase. Het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.