Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
(iii) [eiser] veroordeelt tot betaling van bedragen genoemd in diverse nevenvorderingen.
in het incidenteel hoger beroep en ter zake van de voorwaardelijke grieven in principaal hoger beroep:
Het hof stelt voorop dat het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam – dat wil zeggen als wederpartij van die ander – of in naam van een derde is opgetreden, afhangt van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkander hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen mochten afleiden.
[eiser] zei hem daar volgens de verklaring van [verweerder] in het voorlopig getuigenverhoor bij dat de desbetreffende grond vrijkwam bij het afgraven van grond in Beusichem. Hij zei er, aldus die verklaring, niet bij van wie die grond was.
Het hof zal er gelet op de overtuigende getuigenverklaringen van [verweerder] en [A] van uitgaan dat (ook) de – met het egaliseren daarvan nauw samenhangende – overeenkomst ter zake het leveren van de grond door [eiser] tot stand is gebracht, althans dat [verweerder] dit zo heeft mogen begrijpen.
3.Inleiding
4.Bespreking van de klachten
Onderdeel 2.1heeft betrekking op de vraag of er een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen.
Onderdeel 2.2ziet op eigen schuld in de zin van art. 6:101 BW Pro. Veel klachten hebben een hoog repeterend gehalte. Ik beperk me tot de kern, voor zover deze valt te ontwaren.
doorslaggevendebetekenis zou, naar ik begrijp (het betoog is in feite onbegrijpelijk), toekomen aan de omstandigheid dat [eiser] geen eigenaar was van de grond. Waarom dat beslissend zou zijn, wordt niet uit de doeken gedaan. Het valt ook niet in te zien. Hetgeen volgt is eveneens onbegrijpelijk omdat de beweerdelijk doorslaggevende betekenis ineens en zonder toelichting wordt getransformeerd naar een “aanwijzing”.
onderdeel 2.1.2-I(p. 13) mislukt daarom.
nahet sluiten van de overeenkomst hebben gedragen en aan de overeenkomst invulling hebben gegeven. Op het moment dat er problemen ontstonden heeft [verweerder] [A] benaderd en het is ook [A] geweest die het probleem heeft opgelost. Deze omstandigheden heeft het Hof ten onrechte niet meegewogen, althans zou ’s Hofs oordeel onbegrijpelijk zijn.
eerst na uitdrukkelijke doorverwijzing van [eiser]tot [A] heeft gericht. Daarmee heeft het Hof deze omstandigheid dus wel degelijk in zijn beoordeling betrokken.
door[eiser] tot stand is gebracht. In welke hoedanigheid [eiser] dit heeft gedaan bespreekt het Hof vervolgens in rov. 3.10. Het slot van het onderdeel [19] richt zich nog wel tegen rov. 3.10, maar het valt slechts in herhalingen.
onderdelen 2.2.1 en 2.2.2voeren – kort gezegd – aan dat het Hof het beroep van [eiser] op art. 6:101 BW Pro ten onrechte onbesproken heeft gelaten.
onderdeel 2.2.4erkent dat trouwens zodat onbegrijpelijk is waarom de eerdere klachten worden voorgedragen.
Onderdeel 2.2.9poneert dezelfde klacht, maar dan ten aanzien van rov. 2.2 [23] van het arrest van 18 november 2014. De
onderdelen 2.2.5 – 2.2.8ontbreken.
onderdelen 2.2.2en
2.2.3geciteerde passages heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat [verweerder] maatregelen had kunnen en moeten nemen (hij had zelf onderzoek naar de grond kunnen laten doen), maar dat hij dat niet heeft gedaan. Zonder nadere motivering wordt beweerd dat bij “bemonstering” zou zijn gebleken dat de grond schoon zou zijn (geweest). Ook wordt betoogd dat [verweerder] de grond zelf had kunnen laten verwijderen.
waaromhet Hof anders had
moetenoordelen; het is ook niet in te zien.
Onderdeel 2.2.9blijft steken in losse speculaties.