Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof de vrijspraak ontoereikend heeft gemotiveerd.
(…)
De advocaat-generaal voert het woord en voert aan – zakelijk weergegeven –:
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd vervolgd wegens verblijf in Nederland terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard of een inreisverbod tegen hem was uitgevaardigd. Het hof Amsterdam sprak verdachte vrij omdat niet kon worden vastgesteld dat hij van het inreisverbod op de hoogte was geraakt, ondanks dat hij wel wist van een eerdere ongewenstverklaring.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld door te eisen dat de verdachte specifiek van het inreisverbod op de hoogte moest zijn, terwijl de wetgeving en jurisprudentie bepalen dat kennis van de eerdere ongewenstverklaring voldoende kan zijn voor strafbaarheid. Het arrest verduidelijkt dat de strafbepaling in art. 197 Sr Pro zowel ongewenstverklaring als inreisverbod omvat, die beide de toegang tot Nederland ontzeggen.
De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom niet bewezen kan worden dat verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij niet in Nederland mocht verblijven. De conclusie van de advocaat-generaal is dat het middel slaagt, het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.