Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
7 juni 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd verdacht van het verblijven in Nederland terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard of een inreisverbod had. Het hof Amsterdam sprak de verdachte vrij omdat het oordeelde dat hij niet op de hoogte was van het inreisverbod, enkel gepubliceerd in de Staatscourant.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte de wetenschap of het vermoeden van het inreisverbod en de ongewenstverklaring als afzonderlijke vereisten beschouwde. De wetgeving is gewijzigd zodat de strafbaarstelling ook betrekking heeft op inreisverboden, en een ongewenstverklaring vóór de implementatie van de Terugkeerrichtlijn gelijkgesteld wordt aan een inreisverbod.
Het middel van cassatie van de Advocaat-Generaal werd gegrond verklaard. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep. De beslissing benadrukt het belang van correcte kennisgeving en de juiste interpretatie van art. 197 Sr Pro in samenhang met de Terugkeerrichtlijn.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam is vernietigd en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde berechting.