3.1. Het middel houdt in dat het oordeel van de Rechtbank blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
3.2. Klager is op Schiphol aangehouden met in zijn broekzak een geldbedrag van € 8905,-. Klager is hierop verdacht van witwassen en het geldbedrag is in beslag genomen. Blijkens het door klager ingediende klaagschrift alsook blijkens het ter zitting aangevoerde stelt klager zich op het standpunt dat hij eigenaar is van een coffeeshop in Eindhoven en dat het in zijn wereld, de wiethandel, normaal is om over grote contante geldbedragen te beschikken. Hij zou met het geld op weg zijn geweest naar Turkije voor onder meer een tandartsbehandeling. Blijkens de op schrift gestelde ‘Conclusie OM’ die zich bij de gedingstukken bevindt, acht het Openbaar Ministerie de verklaring van klager ongeloofwaardig.
3.3. De Rechtbank heeft het beklag gegrond verklaard en de beslissing als volgt gemotiveerd:
“De rechtbank is van oordeel dat thans enkel strafvorderlijk beslag ligt op het bedoelde geldbedrag. Uit de stukken valt genoegzaam op te maken dat aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel en de waarheidsvinding thans niet meer gediend is met het in beslag houden. Naar het oordeel van de rechtbank is het hoogst onaannemelijk dat een verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het geldbedrag zal volgen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen strafvorderlijk belang is bij in beslag houden van dit geldbedrag en dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard als hierna te melden.”
3.4. Voor zover het middel er over klaagt dat de Rechtbank een verkeerde maatstaf heeft aangelegd, kan die klacht geen doel treffen. Weliswaar stelt het middel terecht dat de Rechtbank niet had dienen te toetsen of het hoogst
onaannemelijkis dat een verbeurdverklaring of een onttrekking aan het verkeer zal volgen, maar of het hoogst
onwaarschijnlijkis dat zulks zal gebeuren. Het moet er voor worden gehouden dat de Rechtbank de juiste maatstaf voor ogen heeft gehad en de beslissing kan aldus worden gelezen dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend tot een verbeurdverklaring of een onttrekking aan het verkeer zal besluiten. Aldus verbeterd gelezen mist het middel in zoverre feitelijke grondslag.
3.5. Resteert de klacht omtrent de begrijpelijkheid van het gegeven oordeel. Ik stel voorop dat de beslissing van de Rechtbank uiterst summier is gemotiveerd. Waarom het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later zal komen tot verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer is niet toegelicht. Desalniettemin is het oordeel voor zover het daarbij gaat om de onttrekking aan het verkeer niet onbegrijpelijk. Geld kan immers niet worden onttrokken aan het verkeer.Anders ligt het met betrekking tot de verbeurdverklaring. Kennelijk heeft de Rechtbank klager gevolgd in zijn stelling dat het geld legaal was verdiend met de door hem gedreven coffeeshop en dat een veroordeling wegens witwassen daarom hoogst onwaarschijnlijk moet worden geacht. Hoe de Rechtbank tot dat oordeel is kunnen komen zonder te ver vooruit te lopen op het oordeel van de strafrechter wordt uit de bestreden beschikking niet duidelijk.
3.6. Dat wordt niet anders als de beschikking wordt gelezen in het licht van het summiere proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer en van de overige gedingstukken. In raadkamer heeft de officier van justitie, kennelijk in aansluiting op de genoemde ‘Conclusie OM’, aangevoerd:
“Het openbaar ministerie heeft een ander standpunt (
dan klager, GK). Klager heeft een onlogisch verhaal verteld over de besteding van het geld. Eén en ander wijst eerder op het ontlopen van de boekhouding. Ik verwacht een verbeurdverklaring in een latere strafzaak.”
In de ‘Conclusie OM’ heeft het Openbaar Ministerie gemotiveerd aangevoerd dat er sprake is van witwas-typologieën, dat klager wisselend heeft verklaard omtrent de herkomst en het doel van het geld en dat een strafzaak wegens witwassen zal volgen. Dat maakt niet dat het oordeel van de Rechtbank er begrijpelijk op wordt.
3.7. Het middel is gegrond.
4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.