Conclusie
onderdeel 1wordt aangevoerd dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat [verzoeker] zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen, althans dat deze overweging onbegrijpelijk is, nu [verzoeker] in zijn beroepschrift heeft aangevoerd dat de bewindvoerder niet of slecht te bereiken is en dat deze hem van verkeerde of onvolledige antwoorden heeft voorzien. Voor zover [verzoeker] de bewindvoerder onvoldoende informeerde kan dit dan ook niet aan hem worden tegengeworpen. De slechte bereikbaarheid van de bewindvoerder en het verstrekken van onvoldoende of onjuiste informatie dienen immers niet voor rekening van [verzoeker] te komen. In het onderdeel wordt verder weersproken dat [verzoeker] onvoldoende informatie zou hebben verstrekt. Aangevoerd wordt dat de bewindvoerder over alle relevante informatie beschikte, die zij voor het uitoefenen van haar taak nodig had. Daarbij komt dat er gedurende geruime tijd sprake was van een postblokkade waardoor de post eerst bij de bewindvoerder kwam en deze reeds daardoor geïnformeerd was. Voor zover [verzoeker] voor de bewindvoerder slecht bereikbaar was, was dit een gevolg van het feit dat hij 40 uur per week werkte en zich zodoende tot het uiterste inspande om aan de voorwaarden van de schuldsaneringsregeling te voldoen. Eventuele tekortkomingen aan de zijde van [verzoeker] zijn - gelet op de aard en ernst daarvan - niet zodanig dat deze tot een beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder toekenning van een schone lei dienen te leiden.
onderdeel 2wordt aangevoerd dat het hof heeft miskend dat [verzoeker] tot en met 31 juli 2015 fulltime werkzaam was en dus geen sollicitatieplicht had. In de periode van 31 juli 2015 tot 29 december 2015 (de datum van het beroepschrift) heeft [verzoeker] aan zijn sollicitatieplicht voldaan en aangeboden om daarvan alsnog bewijs over te leggen, welk bewijsaanbod ten onrechte door het hof is gepasseerd. Voorts wordt in het onderdeel een voorbehoud gemaakt ten aanzien van hetgeen in het proces-verbaal van de zitting is opgenomen.
onderdeel 3wordt aangevoerd dat [verzoeker] niet is gehoord op de voordracht van de rechter-commissaris van 3 november 2015, waardoor het recht op hoor en wederhoor is geschonden.
Onderdeel 4richt zich tegen rov. 3.8. waarin het heeft geoordeeld geen aanleiding te zien om het verzoek om de termijn van de regeling te verlengen in te willigen en [verzoeker] nog een laatste kans te geven. Aangevoerd wordt dat het hof [verzoeker] gezien de omstandigheden een laatste kans had moeten geven.