Conclusie
tweede middelzich keert tegen ’s hofs verwerping van het niet-ontvankelijkheidsverweer dat namens de verdachte in hoger beroep is gevoerd en in het onderhavige verband het meest verstrekkend is, bespreek ik dit middel als eerste. Het middel bevat de klacht dat het hof bij de beslissing op het gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer blijk heeft gegeven van een te beperkte en daarmee onjuiste rechtsopvatting, door - bij de bijzondere omstandigheden van het geval - onvoldoende gewicht toe te kennen aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, waardoor het arrest niet, althans niet zonder meer, begrijpelijk is gemotiveerd.
anderestukken aan het procesdossier, en is met betrekking tot het ontbreken van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en de bewijsmiddelenbijlage slechts in algemene zin aangevoerd dat dit zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting respectievelijk tot vrijspraak. (Ik kom daarop onder 7 terug). Niet heeft de verdediging in dat verband een beroep gedaan op het bepaalde van art. 422 Sv Pro, noch bevat de cassatieschriftuur een klacht met als strekking dat het arrest van het hof mede is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg terwijl het aldaar verhandelde niet aan het hof bekend kan zijn geweest wegens het ontbreken van het genoemde zittingsverbaal.
Ter zake de bewezenverklaring dient het navolgende te worden opgemerkt
Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld komt naar voren".Ook het bewijsmiddelenoverzicht ontbreekt bij genoemd vonnis.
“Gevoerde verweren
eerste middelkeert zich met rechts- en motiveringsklachten tegen de bewezenverklaringen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en de kwalificaties daarvan (‘valsheid in geschrift, meermalen gepleegd’, respectievelijk ‘het voorhanden hebben van een geschrift, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd’). De daaraan ten grondslag gelegde opvatting luidt als volgt. Het is een feit van algemene bekendheid dat de barcodes en barcodestickers, ofwel streepjescodes, waar het in deze zaak om gaat en die zijn opgeslagen in computerbestanden dan wel zijn afgedrukt op papier- en stickervellen, bestaan uit een aantal verticale dunnere en dikkere lijnen naast elkaar, met daaronder vaak een serie getallen. Het hof is bij de bewezenverklaringen en/of de kwalificatiebeslissingen ten onrechte tot de (impliciete) beslissing gekomen dat dergelijke barcodes en barcodestickers kunnen worden aangemerkt als geschriften in de zin van art. 225 Sr Pro en dat de (afgedrukte) barcodes vals zijn. Voorts bevatten de bewijsmiddelen te dien aanzien geen, althans onvoldoende, redengevende feiten en omstandigheden die de bewezenverklaringen kunnen dragen. De barcodes die in de computerbestanden en op papier- of stickervellen zijn aangetroffen, blijken volgens de bewijsmiddelen (bijvoorbeeld bewijsmiddel 15) slechts gekopieerd of gescand van bestaande, in dit geval goedkopere producten. Het hof heeft verzuimd te motiveren waarom na het scannen van deze streepjescodes en/of het afdrukken daarvan, de streepjescodes vals zouden zijn en waarom sprake zou zijn van een geschrift. Immers, een kopie van een (bestaande) code is niet zonder meer als vals te bestempelen en een scan en/of afdruk is niet zonder meer als geschrift aan te merken. Daaruit vloeit voort dat de hier bedoelde bewezenverklaringen en/of kwalificatiebeslissingen evenmin begrijpelijk en toereikend zijn gemotiveerd, aldus de steller van het middel.
“Bewijsvoering
“Strafmotivering
NJ1991/668 m.nt. Corstens ging het om een op een magneetschijf vastgelegd bestand dat dagelijks werd weggeschreven naar andere bestanden. De Hoge Raad oordeelde dat het bestand terecht als geschrift was aangemerkt, omdat het bestond uit met enige duurzaamheid op een magneetschijf vastgelegde gegevens, die op tamelijk eenvoudige wijze leesbaar gemaakt konden worden. [7]
NJ2006/253 oordeelde de Hoge Raad dat geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting het oordeel van het hof dat de verdachte overeenkomstig het bepaalde van art. 225, tweede lid, Sr gebruik had gemaakt van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst omdat hij de kleurenkopie van zijn (ingevorderde) rijbewijs bij een verkeerscontrole aan de verbalisant had overhandigd, zonder daarbij te vermelden dat dit een kopie betrof. Mijn ambtgenoot Machielse merkte in zijn conclusie voorafgaand aan dit arrest op (ECLI:NL:PHR:2006:AX5810):