Uit het dossier volgt dat de onderhavige zaak een lange voorgeschiedenis kent. Hoewel het hof het voorstelbaar acht dat de situatie waarin de verdachte verkeerde en de gebeurtenissen in de jaren voorafgaand aan 21 juni 2012 bij de verdachte hebben geleid tot oplopende spanningen, is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte op de dag dat het hekwerk voor zijn woning van gemeentewege zou worden verwijderd, geestelijk in een zodanige toestand verkeerde dat hij niet anders kon of behoefde te handelen dan dat hij toen heeft gedaan. Uit de in het kader van de onderhavige zaak door psychiater H.E.M. van Beek en psycholoog J.J.M. van der Heijden verrichte onderzoeken volgt dat bij de verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en dat hij volledig toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. Verdachte moet dan ook hebben ingezien dat wat hij deed om verwijdering van hekwerk te voorkomen (het gooien met brandende benzine en/of een brandende molotovcocktail naar een betrokken medewerker van een door de gemeente ingeschakeld bergingsbedrijf en politieambtenaren, het op een trap schoppen naar het hoofd van een politieambtenaar en het dreigen met een mes naar die politieambtenaar die in de woning was om met verdachte over de situatie te spreken en het dreigen met een (gespannen) handboog en pijlen naar omstanders) volstrekt ongeoorloofd was en dat er andere (minder vergaande) mogelijkheden en middelen waren om zich tegen de verwijdering van het hekwerk te verzetten. Het handelen van de verdachte in de periode direct voorafgaand aan het incident (het prepareren van molotovcocktails, het klaarzetten van een handboog en pijlen en het informeren van de media over de actie die aanstaande was) duidt naar het oordeel van het hof meer op weloverwogen en planmatig handelen. Hieraan doet niet af dat, zoals hiervoor ten aanzien van de voorbedachte raad is overwogen, het hof het voor mogelijk houdt dat het bericht van de gemeente op de dag voorafgaand aan het incident dat het hekwerk de volgende dag zou worden verwijderd bij de verdachte heeft geleid tot een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De omstandigheid dat is gehandeld onder invloed van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling staat er echter niet aan in de weg dat bij dat handelen inzicht in het ongeoorloofde van dat handelen aanwezig was en dat voor de verdachte de mogelijkheid bestond om zijn bewezen verklaarde gedragingen te beëindigen. Psycholoog Van der Heijden heeft in dat verband op de terechtzitting van het hof verklaard dat naar zijn oordeel bij verdachte geen sprake was van een onweerstaanbare zucht tot zelfbehoud omdat de verdachte nog in staat was om zijn wil te bepalen en een afweging te maken over het wel of niet staken van zijn acties. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte op de dag van het incident het gevolg is geweest van een van buiten komende drang waaraan hij redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Het hof verwerpt mitsdien het beroep op psychische overmacht. Dat neemt niet weg dat het hof hierna bij de bepaling van de op te leggen straf uitdrukkelijk rekening zal houden met de bijzondere situatie waarin de verdachte destijds verkeerde.”
4.2. Bij psychische overmacht moet het gaan om een van buiten komende drang waaraan de verdachte geen weerstand kan en ook niet hoeft te bieden, omdat dat redelijkerwijs niet van de verdachte kan worden gevraagd.Voor de aanvaarding van deze strafuitsluitingsgrond zijn echter ‘zeer prangende omstandigheden vereist’, aldus De Hullu.Een beroep op psychische overmacht wordt niet snel aanvaard, ook niet als het strafbare feit gepleegd wordt na een langdurige periode van treiteren, vernederen en bedreigen zoals bijvoorbeeld in het geval van een zogenaamd ‘battered woman-syndrome’.Psychische overmacht is zowel een psychologisch als een juridisch, normatief begrip.
4.2.1. Vanwege dat normatieve karakter is in zekere zin sprake van een objectivering: een enkel beroep op vrees is niet voldoende, die vrees moet, in het licht van de persoon van de verdachte, ook redelijk zijn. Ook de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit spelen hierbij een rol. Hoe ernstiger het feit, hoe zwaarder de toets of sprake is van een verontschuldigbare psychische overmacht. Daarbij gaat het dus niet om optimaal of gerechtvaardigd handelen maar om redelijke eisen die gesteld worden aan de dader in kwestie in exceptionele omstandigheden.
4.2.2. Naast de normatieve component is in het kader van psychische overmacht ook ruimte voor een psychologische component; de persoon van de verdachte kan (en volgens De Hullu: moet) daarbij worden betrokken.
4.2.3. Indien een beroep op psychische overmacht is gedaan, zal de rechter op grond van dat verweer moeten onderzoeken of de voorwaarden voor aanvaarding van psychische overmacht zijn vervuld. De rechter heeft hierbij te beoordelen of de feitelijke grondslag van het verweer aannemelijk is geworden. Dit aan de feitenrechter voorbehouden oordeel kan in cassatie niet anders dan op begrijpelijkheid worden getoetst.
4.3. Het hof heeft bij de beoordeling van het beroep op psychische overmacht de juiste maatstaf aangelegd door bij zijn oordeel te betrekken dat de aangevoerde omstandigheden niet een zodanig van buiten komende drang tot het plegen van de bewezenverklaarde feiten opleverden dat de verdachte daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Zijn verwerping van het beroep op psychische overmacht is niet onbegrijpelijk. Dat bij de verdachte door de voorafgaande gebeurtenissen sprake was van (oplopende) spanningen en frustratie staat wel vast. Mede gelet op die gebeurtenissen, acht ik het niet onwaarschijnlijk dat het verwijderen van het hekwerk rondom zijn woning bij de verdachte ‘de stoppen heeft doen doorslaan’. Daarmee is echter nog niet gezegd dat het handelen van verdachte is bepaald door een van buiten komende drang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden.
De vraag is hier of de verdachte redelijkerwijs weerstand had behoren te bieden tegen de drang om zich te verzetten tegen de verwijdering van het hekwerk en met name tegen de wijze waarop hij dat heeft gedaan. Het hof oordeelt kennelijk dat er geen sprake was van een onvermijdelijke keuze voor de verdachte om zich op een dergelijke wijze te verzetten. Daaruit kan worden afgeleid dat er wellicht wel sprake was van een van buiten komende drang om te handelen zoals verdachte heeft gedaan, maar dat het hof van oordeel is dat van de verdachte redelijkerwijs verwacht mocht worden dat hij daaraan weerstand zou bieden. Dat oordeel is gegrond op een waardering van de feitelijke omstandigheden van het onderhavige geval. Het hof heeft daarover niet onbegrijpelijk overwogen dat de verdachte moet hebben ingezien dat zijn handelen volstrekt ongeoorloofd was en dat er andere (minder vergaande) mogelijkheden waren om zich tegen de verwijdering van het hekwerk te verzetten. Daarbij heeft het hof betekenis kunnen toekennen aan de omstandigheid dat het handelen van de verdachte in de periode direct voorafgaand van het incident duidt op weloverwogen en planmatig handelen en heeft het mede op grond daarvan kunnen oordelen dat er geen sprake was van een situatie waarin de verdachte geen inzicht had in het ongeoorloofde van zijn handelen, zijn wil niet meer kon bepalen en geen afweging meer kon maken over het wel of niet staken van zijn acties.
4.4. Mede gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en in aanmerking genomen dat hoe ernstiger het strafbare feit is, hoe zwaarder de toets is of van de verdachte verlangd kon worden anders te handelen dan hij heeft gedaan, heeft het hof niet onbegrijpelijk geoordeeld dat hier geen beroep op psychische overmacht kon worden aanvaard. Het verweer is op goede gronden verworpen.
4.5. Het middel faalt.