ECLI:NL:PHR:2016:495
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verlenging machtiging uithuisplaatsing ondanks termijnoverschrijding niet niet-ontvankelijk
In deze zaak staat de vraag centraal of een termijnoverschrijding bij het indienen van een verzoek tot verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid van de gecertificeerde instelling die het verzoek indient. De moeder van drie minderjarige kinderen, die bij pleegouders verblijven, betwistte de ontvankelijkheid van het verzoek omdat het niet acht weken voor het verstrijken van de machtiging was ingediend, zoals vereist in het Procesreglement Civiel Jeugdrecht.
De rechtbank en het hof Den Haag hebben het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing ondanks de termijnoverschrijding toch toegewezen, omdat de moeder niet in haar belangen was geschaad en zij ruimschoots gelegenheid had gehad haar bezwaren naar voren te brengen. De moeder kwam tegen deze beslissingen in hoger beroep en cassatie.
De Hoge Raad bevestigt dat de termijnoverschrijding niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid. De maatstaf is of de termijnoverschrijding strijdig is met de goede procesorde en of het verzoek zorgvuldig kan worden behandeld met inachtneming van de belangen van partijen en het kind. Omdat het verzoek binnen zes weken vóór afloop werd ingediend en de moeder haar belangen niet werd geschaad, oordeelt de Hoge Raad dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de termijnregeling niet van openbare orde is en dat de verlengingsbeschikkingen niet nietig zijn. Ook is de uithuisplaatsing van de minderjarigen bij wet voorzien, zodat geen onrechtmatige inmenging in het gezinsleven van de moeder plaatsvindt. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen; de termijnoverschrijding leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.