Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
,van belang voor de hoogte van het uiteindelijke alimentatiebedrag, bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Wanneer één van hen dan nadien wijziging van de overeenkomst verzoekt, rijst de vraag of de rechter de in de zo-even geciteerde beschikking van 23 oktober 1987 bedoelde terughoudendheid uitsluitend moet betrachten
ten aanzien van die specifieke punten, dan wel ten aanzien van de overeenkomst in haar geheel. De Hoge Raad heeft deze vraag in eerstbedoelde zin beantwoord [7] .
in casu: bij de behoefte), maar hebben deze miskend: dan geldt het criterium van art. 1:401, vijfde lid, BW;
nietde intentie gehad de wettelijke maatstaven (
in casu: de behoefte) in acht te nemen. Dan had het hof de gevolgtrekking moeten maken dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven.
onder 2.2.1komt het erop aan of partijen de wettelijke maatstaven
aan hun overeenkomst ten grondslag hebben gelegd. Volgens de vrouw was dat niet het geval, omdat zij uitsluitend hebben gekeken naar de draagkracht van de man, niet naar de behoefte van de vrouw.
grovemiskenning van de wettelijke maatstaven, kan dit reden zijn voor een wijzigingsverzoek op de grond van art. 1:401 lid 5 BW Pro [8] ; een dergelijk verzoek is in deze zaak niet aan de orde. Indien en voor zover partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, is er reden voor de rechter om bij de beoordeling van een wijzigingsverzoek op grond van gewijzigde omstandigheden (art. 1:401 lid 1 BW Pro) terughoudendheid te betrachten; daarbuiten niet. In het onderhavige geschil zijn partijen verdeeld over de prealabele vraag óf zij bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.
omvangvan die behoefte. Daarna is het hof in het bijzonder ingegaan op een viertal stellingen van de vrouw in appel. Het bestreden oordeel berust dus niet alleen op de twee in dit middelonderdeel aangehaalde zinsgedeelten; in zoverre mist de rechtsklacht feitelijke grondslag.
onder 2.2.2. De vrouw klaagt dat indien het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat volgens het hof niet is komen vaststaan dat partijen bewust de wettelijke maatstaven niet aan hun overeenkomst ten grondslag hebben gelegd, het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Blijkens de gedingstukken stond juist tussen partijen vast dat zij bij het sluiten van het convenant de behoefte van de vrouw buiten beschouwing hebben gelaten: derhalve is een van de toepasselijke wettelijke maatstaven niet aan de overeenkomst ten grondslag gelegd. De overweging in rov. 3.6, dat ‘niet uit te sluiten valt dat partijen toen geen overeenstemming konden bereiken over de omvang van die behoefte’ wijst volgens de klacht in dezelfde richting; de vrouw noemt de motivering van de bestreden beslissing innerlijk tegenstrijdig.
omvangvan die behoefte in het midden hebben gelaten omdat zij het daarover niet eens konden worden, niet te betekenen dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Innerlijk tegenstrijdig of anderszins (logisch) onbegrijpelijk is dat oordeel m.i. niet. In onderhandelingen over de hoogte van een bijdrage in het levensonderhoud met inachtneming van de wettelijke maatstaven kan de draagkracht fungeren als een maximum: zodra de draagkracht van de onderhoudsplichtige is vastgesteld en deze de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde niet overschrijdt, kunnen partijen in het midden laten of de behoefte hoger is dan die draagkracht: een eventueel hogere behoefte zal normaliter niet leiden tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage die de draagkracht van de tot onderhoud verplichte ex-echtgenoot te boven gaat. In een dergelijk geval leggen de onderhandelende partijen de behoefte en de draagkracht ten grondslag aan de alimentatieovereenkomst, maar laten zij de
omvangvan de behoefte in het midden voor zover deze de draagkracht overschrijdt. Uit de in het cassatierekest aangehaalde gedingstukken heeft het hof niet behoeven op te maken dat partijen, toen zij het convenant sloten, het erover eens waren dat de behoefte van de vrouw in het geheel niet ter zake deed. Evenmin is het hof met dit oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd in appel getreden.
bij helftebijdraagt in de kosten van studie en levensonderhoud van de meerderjarige kinderen; dit in samenhang met de bepaling in het convenant onder 2.3 over het eventueel vervangen van deze regeling door een bijdrage van de ouders naar draagkracht (cassatierekest onder 2.3);
package-deal’. Ter toelichting voert de vrouw aan dat de man heeft erkend dat partijen een ‘
package-deal’hebben gesloten. De overweging van het hof dat daarmee niet zonder meer gegeven is dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, is volgens de klacht rechtens onjuist, althans ontoelaatbaar onduidelijk gemotiveerd (cassatierekest onder 2.4).
package deal’is door het hof onderkend [10] en behandeld in rov. 3.6. Daarbij kwam het hof tot de conclusie dat de gestelde
package dealniet zonder meer een aanwijzing oplevert dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Het probleem is in wezen dat partijen, om voor hen moverende redenen, ‘er een klap op hebben gegeven’ om de onderhandelingen over een convenant tot een goed einde te brengen [11] , zonder verdergaand uit te rekenen welk gedeelte van het door de man ter zake van partneralimentatie uit te betalen bedrag uiteindelijk aan de kinderen ten goede zou komen of aan het levensonderhoud van de vrouw zelf zou kunnen worden besteed. Het hof beschouwt dit niet als een bewust afwijken door partijen van de wettelijke maatstaven. De omstandigheid dat een andere beslissing van de feitenrechter wellicht mogelijk zou zijn geweest maakt nog niet dat de genomen beslissing logisch onbegrijpelijk is. De samenhang met de in dit middelonderdeel genoemde andere onderdelen van het convenant is m.i. onvoldoende om de beslissing te kwalificeren als onbegrijpelijk. Bij dit oordeel speelt ook een rol – ik zeg het maar eerlijk – dat ik mij geen voorstelling ervan kan maken hoe een beslissing na cassatie en verwijzing eruit zou moeten zien indien de rechter terughoudendheid zou moeten betrachten op het specifieke punt van de gedeeltelijke verschuiving van kinderalimentatie naar partneralimentatie (teneinde de draagkracht van de man te vergroten), maar niet voor het overige. In een situatie als deze verdient het vasthouden aan het veranderlijkheidsbeginsel als hoofdregel, zoals het hof heeft gedaan, mijns inziens de voorkeur.
fictieveinkomsten uit arbeid, te weten het verschil tussen 24 en 32 uren per week.
mogelijkheidom extra inkomsten te verwerven (d.w.z. het verschil tussen een werkweek van 24 en 32 uur) een relevante wijziging van omstandigheden oplevert. De vrouw klaagt dat het hof miskent dat het aankomt op de vraag of en, zo ja in hoeverre, de vrouw ‘in redelijkheid’ geacht moet worden zelf in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Bij deze redelijkheidstoets is volgens de klacht het behoud van de eigen huidige werkkring een omstandigheid waarmee de rechter rekening behoort te houden. Ik versta deze klacht aldus, dat de vrouw van mening is dat in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd dat zij haar huidige baan van 24 uur per week opgeeft en elders werk gaat zoeken voor 32 uur per week. In appel had de vrouw aangevoerd dat bij haar huidige werkgever heeft geïnformeerd of zij bij hem voor méér dan 24 uur per week betaald werk kan krijgen, hetgeen niet is gelukt.
onder 2.8wordt geklaagd dat het toedichten van een fictieve verdiencapaciteit aan de vrouw met zich brengt dat het hof de ingangsdatum niet zonder meer had mogen vaststellen op een datum in het verleden, althans dat het hof die ingangsdatum nader had behoren te motiveren.