Conclusie
eerste middelkeert zich onder verwijzing naar HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3149,
NJ2015/96 tegen het oordeel van het hof dat de verdachte als bestuurder van een personenauto het opzet heeft gehad [verbalisant 1] van het leven te beroven.
Bewijsmiddelen ter zake van feit 1 primair
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
NJ2015/96 m.nt. Keulen, achtte het hof voorwaardelijk opzet van de verdachte op het overlijden van A. bewezen. Volgens het hof had de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat A. tijdens de vlucht door de auto zou worden aangereden, gegrond op zijn vaststelling dat de verdachte had gezien dat de poort door A. werd gesloten, en daarbij in aanmerking genomen dat er nog maar een smalle en kleiner wordende opening was aan de zijde van de poort waar A. zich bevond en dat de verdachte niet had afgeremd of was uitgeweken. De Hoge Raad zag daarin echter onvoldoende grond om voorwaardelijk opzet aan te nemen, mede gezien het gevoerde verweer dat de verdachte pas een fractie van een seconde voor de botsing met het hek A. had waargenomen. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat de gebezigde bewijsmiddelen elementen bevatten die de lezing van de verdachte ondersteunden, zoals dat de verdachte slechts zo’n tien meter voor de poort had waargenomen dat deze langzaam dichtging, terwijl hij op dat moment met aanmerkelijke snelheid reed.
tweede middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. Namens de verdachte is op 9 september 2014 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 21 oktober 2015 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt met zich dat de hier geldende inzendtermijn van acht maanden met ruim vijf maanden is overschreden. Nu deze overschrijding van de inzendtermijn niet meer door een voortvarende behandeling van de zaak kan worden gecompenseerd, dient dit in beginsel te leiden tot strafvermindering.