Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdelen I.2.1 tot en met I.2.9zijn deze klachten nader uitgewerkt.
onderdelen 1.6 en 1.7bouwen slechts voort op de voorgaande klachten en behoeven daarom geen afzonderlijke bespreking.
Onderdeel II.2, gericht tegen de door het hof daaraan verbonden gevolgtrekkingen in rov. 7.12.23 - 24 en in rov. 7.18 (kostenveroordeling) bouwt hierop voort.
nietdoor de rechter benoemde deskundige in het geding te mogen brengen. Het hof heeft dit verzoek van de hand gewezen: enerzijds omdat het hof dit verzoek beschouwde als misbruik van bevoegdheid nadat de moeder de uitvoering van het door het hof gelaste deskundigenonderzoek had belemmerd; anderzijds omdat het hof van oordeel was dat het belang van de kinderen zich verzette tegen weer een onderzoek. Dit zijn zelfstandige gronden voor de beslissing. Kennelijk rekent het hof het onderzoek door de Raad voor de kinderbescherming mee naast het onderzoek van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dat in opdracht van de moeder heeft plaatsgevonden. Het oordeel dat de kinderen al met de nodige deskundigen zijn geconfronteerd is reeds daarom niet onbegrijpelijk. Daarnaast weegt volgens het hof mee dat een nieuw deskundigenonderzoek tot een nog langere periode van onzekerheid en duidelijkheid voor de kinderen zal leiden. De motiveringsklacht faalt om deze reden.
Onderdeel II.4bevat geen zelfstandige klacht.