Conclusie
1.De onderhavige zaak
oud, Sr, nu goed beschouwd deze bepaling op de onderhavige zaak van toepassing is. Bij wetswijziging van 1 april 2012 is het zevende lid onder c
oud,zonder inhoudelijke wijziging, vernummerd tot het huidige achtste lid onder c. Ik kom daarop hierna nog terug.
oud, van art. 77s Sr geeft, vormt de aanleiding voor mijn vordering. Het springende rechtspunt is namelijk dat die bepaling in zoveel woorden zegt dat de termijn van de maatregel
niet looptwanneer de maatregel voorwaardelijk is geëindigd als bedoeld in art. 77s Sr en art. 77t, tweede lid, Sr. De gronden waarmee de penitentiaire kamer haar bevestiging van het vonnis van de rechtbank heeft aangevuld, hebben blijkens het schrijven van mr. Knol van 13 november 2015 en de daarbij horende notitie in de praktijk vragen opgeroepen die ik nader uitgewerkt aan het slot van deze vordering aan de Hoge Raad zal voorleggen. De hoofdvragen zijn:
oud, thans achtste lid, Sr)?;
3.De PIJ-maatregel: een korte historische terugblik
Stb. 402). In navolging van het daartoe strekkende voorstel van de Commissie Overwater werd de jeugdmaatregel van plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling geïntroduceerd, een behandelings- en beveiligingsmaatregel bestemd voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen.
ouden art. 77r
oudSr). Op het openbaar ministerie rustte de taak om de zaak tijdig bij de rechter aan te brengen, met overlegging van een verslag van het verloop van de maatregel. Enkel indien het onderzoek daartoe aanleiding gaf – dat wilde zeggen: wanneer dit in het belang van de jeugdige veroordeelde was -, werd de jeugdmaatregel voorwaardelijk (of onvoorwaardelijk) beëindigd. Er werden algemene en eventueel bijzondere voorwaarden opgelegd, waarin uiteraard het pedagogische element sterk vertegenwoordigd was. Volledig was de regeling echter niet. Zo was in het ongewisse gelaten of ingeval van voorwaardelijke beëindiging de jeugdmaatregel doorliep tot aan de meerderjarigheidsgrens.
Stb. 1994, 528) en het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994
(Stb. 1994, 866). Deze wet van 7 juli 1994 is op 1 september 1995 in werking getreden en bracht een grondige herziening en vereenvoudiging van zowel het jeugdsanctierecht als het jeugdstrafprocesrecht met zich, maar wel met behoud van het pedagogische karakter. [7] Hier verdient opmerking dat de jeugd-tbr (een opvoedingsmaatregel) en de plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling (deels een beveiligingsmaatregel) samensmolten tot één nieuwe jeugdmaatregel, de PIJ-maatregel, naar sindsdien wordt aangenomen ‘de zwaarste sanctie uit het sanctiearsenaal voor jeugdigen’. [8] Het doel van deze PIJ-maatregel is er vooral op gericht om de jeugdige dader de (her)opvoeding, verzorging en behandeling te geven die voor hem noodzakelijk wordt geacht. Dat neemt niet weg dat deze vrijheidsbenemende jeugdmaatregel ook dient ter bescherming van de samenleving. [9]
Stb. 485) is het eerste lid onder a gewijzigd en is een vierde materiële voorwaarde ingevoegd, waardoor de PIJ-maatregel niet alleen als een ultimum remedium is te beschouwen maar onmiskenbaar ook trekken gemeen heeft gekregen met de TBS voor volwassenen. Het moet thans namelijk gaan om een verdachte bij wie ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. [10] Naast de vier materiële voorwaarden, geldt bovendien als formeel vereiste dat de rechter zich een multidisciplinair advies van gedragsdeskundigen, waaronder een psychiater, doet overleggen (art. 77s, tweede lid, Sr).
oudSr). Na ommekomst van de opleggingstermijn, eindigde de Pij-maatregel van rechtswege. Niet was toen nog voorzien in een nazorgtraject. [11] Bevoegd tot het voorwaardelijk of onvoorwaardelijk beëindigen, was de minister van Justitie te allen tijde, indien het doel van de maatregel was bereikt of op andere wijze beter kon worden bereikt (art. 5 Besluit Pro tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994). Sinds de inwerkingtreding op 1 juli 2011 van de wet van 13 december 2010 (
Stb. 818) geldt de termijn van de PIJ-maatregel echter voor een termijn van drie jaar en is onder meer bepaald dat de maatregel na twee jaar van rechtswege voorwaardelijk eindigt tenzij hij wordt verlengd op de wijze als bedoeld in art. 77t Sr. Door een wetswijziging op 1 juli 2012 heeft de rechter in die fase (weer) een rol gekregen. Over het voorgaande nu meer.
Stb. 2010, 818) werd de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel geïntroduceerd. [14]
oud) Sr hielden toen, voor zover hier van belang, het volgende in:
Stb.2010, 818):
oud) Sr zijn vervolgens gewijzigd bij de op 1 april 2012 in werking getreden Wet van 17 november 2011 (Stb. 545) en de eveneens op 1 april 2012 ingevoerde, en reeds eerder genoemde, Reparatiewet van 5 april 2012 (Stb. 155), en wel, voor zover hier van belang, in de navolgende zin:
oud) Sr zijn laatstelijk gewijzigd bij de op 1 april 2014 in werking getreden Wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de invoering van een adolescentenstrafrecht (
Stb. 2013, 485). Voor zover voor mijn vordering van belang, luiden deze artikelen thans:
Stb. 2010, 818) en die van 1 april 2012 (
Stb. 2012, 155). De PIJ-maatregel geldt voor een termijn van drie jaar, welke termijn overigens een aanvang neemt op de datum dat het desbetreffende vonnis onherroepelijk is geworden; niet bepalend is het aanvangsmoment van de feitelijke tenuitvoerlegging. [19] Na twee jaar wordt de maatregel hetzij verlengd op de wijze als bedoeld in art. 77t, voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat, hetzij voorwaardelijk beëindigd. De termijn van de maatregel loopt
nietwanneer de maatregel voorwaardelijk is geëindigd. Aanvankelijk hield art. 77s, zevende lid onder c
oudSr in dat de termijn van de maatregel niet liep wanneer de maatregel voorwaardelijk was geëindigd en de jeugdige veroordeelde buiten de plaats verbleef die voor de tenuitvoerlegging was aangewezen. De laatste zinsnede is vervallen met de inwerkingtreding op 1 juli 2012 van de hierboven aangehaalde Reparatiewet van 5 april 2012 (
Stb. 2012, 155). De vraag is nu allereerst hoe de bepaling van art. 77s, zevende lid onder c
oud, thans achtste lid onder c, Sr moet worden uitgelegd.
Stb. 2010, 818) is de looptijd van de PIJ-maatregel en het stelsel van de voorwaardelijke beëindiging op de hiernavolgende (enigszins ingewikkelde) wijze aan de orde gekomen. Ik citeer eerst de ter zake dienende passages uit de Memorie van Toelichting: [20]
15.4 Nazorg van een Pij-maatregel
Door te bepalen dat de termijn van de maatregel niet loopt gedurende de tijd dat de maatregel voorwaardelijk is geëindigd, wordt dit voorkomen(artikel 77s, zevende lid, onder deel c (nieuw), Sr juncto 77t, tweede lid, laatste volzin). (cursiverin van mij, AG)
Net zo min als dat een verlenging van de maatregel wordt beoogd, wordt een verkorting daarvan beoogd(cursivering van mij, AG)
.De keuze voor een stelsel van voorwaardelijke verlenging zoals door het openbaar ministerie voorgestaan, zou in het uiterste geval een keuze vergen tussen maatregel of nazorg, aangezien de maximale duur van de maatregel beperkingen stelt aan de mogelijkheden de maatregel (voorwaardelijk) te verlengen. Een dergelijk dilemma wordt met dit voorstel voorkomen.
Dit is niet beoogd(cursivering van mij, AG). Uitgangspunt van de voorgestelde regeling blijft dat de pij-maatregel een minimale duur van twee jaren en, in de zich daarvoor lenende gevallen, een maximale duur van zes jaren heeft. Deze termijnen, die zien op de periode die de jeugdige in een jeugdinrichting verblijft en op grond van de titel die opgelegde pij-maatregel daartoe biedt, behandeling ondergaat in verband met diens gedragsproblematiek, blijven met dit wetsvoorstel ongewijzigd. Aan de bestaande regeling worden met het wetsvoorstel twee elementen toegevoegd.
Gedurende deze proeftijd loopt de termijn van de maatregel niet(artikel 77s, zevende lid, onderdeel c).(cursivering van mij, AG)
Stb. 2012, 155) bedoelt de wettelijke regeling te vereenvoudigen en meer in het bijzonder de regeling van de tenuitvoerlegging van de verplichte nazorg te verduidelijken, zo kan men lezen in de Memorie van Toelichting. [25] Met de bepaling dat de termijn van de maatregel
nietloopt gedurende de fase van voorwaardelijke beëindiging, heeft de wetgever tot uitdrukking willen brengen dat in de proefperiode een titel beschikbaar is voor terugplaatsing in de justitiële jeugdinrichting of voor een verlenging van de voorwaardelijke beëindiging indien de rechter dit noodzakelijk acht in verband met een verantwoorde terugkeer in de samenleving. [26] Is rechterlijke tussenkomst niet nodig, dan eindigt de maatregel van rechtswege onvoorwaardelijk, en wel op het moment dat één jaar na de voorwaardelijke beëindiging is verstreken (art. 77ta, derde lid, Sr). Geen passage ben ik in de hier aangehaalde parlementaire stukken tegengekomen over het met terugwerkende kracht ingaan van de voorwaardelijke beëindiging indien – in de woorden van de penitentiaire kamer - de rechtbank de vordering tot verlenging afwijst, terwijl deze beslissing na de einddatum van het, al dan niet eerder verlengde, onvoorwaardelijke deel wordt gegeven, en als de penitentiaire kamer in beroep de vordering tot verlenging alsnog afwijst of voor een kortere duur toewijst dan de rechtbank heeft gedaan.
oud, thans achtste lid, onderdeel c Sr. Uit de wordingsgeschiedenis van art. 77s Sr volgt dat één en ander betekent dat de jeugdige veroordeelde hooguit zes jaar onafgebroken in de inrichting kan verblijven en dat één jaar ‘op de lat’ blijft staan voor het geval hij vanwege een niet gelukte nazorg zou moeten terugkeren in een gesloten setting. [28]
6.Enige opmerkingen in relatie tot de TBS/een vergelijking
verpleging van overheidswegevoorwaardelijk kan worden beëindigd. [32] De maatregel van TBS zelf blijft (na verlenging) doorlopen. De voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege kan telkens met één dan wel met twee jaar worden verlengd. De totale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging bedraagt in de TBS-sfeer, na achtereenvolgende verlengingen, ten hoogste negen jaren (art. 38j, tweede lid, Sr).
7.De PIJ-maatregel: het verloop in de praktijk/enige rechtspraak
onvoorwaardelijke deelvan de PIJ-maatregel beëindigd is (dus eerst bij aanvang van de voorwaardelijke beëindiging). Omdat dit in de rechtspraktijk als onwenselijk wordt ervaren, zijn er noodoplossingen bedacht waarvan ik er twee noem. Het komt voor dat het openbaar ministerie de verlenging voor een korte periode vordert, deze vordering ter terechtzitting wijzigt in een vordering tot afwijzing van de vordering tot verlenging en daarnaast het stellen van bijzondere voorwaarden vordert. [35] Er zijn ook uitspraken waarin de rechtbank afwijkt van het bepaalde van art. 77tb, derde lid, Sr – luidend dat “tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel” bijzondere voorwaarden kunnen worden gesteld – en het mogelijk acht om vóórdat de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel aanvangt alvast bijzondere voorwaarden te stellen, die vervolgens van kracht worden vanaf het moment van aanvang van de voorwaardelijke beëindiging. [36]
oud, thans achtste lid, Sr aldus dat de PIJ-maatregel ook tijdens de voorwaardelijke beëindiging van kracht is, zij het dat aan het onvoorwaardelijke deel een einde is gekomen. Naar mijn mening eindigt de maatregel echter - indien een vordering tot verlenging uitblijft - van rechtswege voorwaardelijk na ommekomst van de periode van respectievelijk twee, vier en zes jaar en eindigt deze van rechtswege onvoorwaardelijk na afloop van de daaropvolgende periode van voorwaardelijke beëindiging van een jaar indien de jeugdige veroordeelde gedurende die periode de hem betreffende voorwaarden naleeft, en loopt de termijn van de maatregel
nietwanneer de maatregel voorwaardelijk is geëindigd, zoals art. 77s zevende lid onder c
oud, thans achtste lid, Sr in zoveel woorden bepaalt.
9.Vraagstelling aan de Hoge Raad
Stb. 818) en 1 juli 2012 (
Stb. 155) onderscheidenlijk na de wetswijziging van 1 april 2014 (
Stb. 485) en het belang voor de praktijk bij het verkrijgen van duidelijkheid daarover - gerechtvaardigd is de volgende (rechts)vragen aan de Hoge Raad voor te leggen:
oud, thans achtste lid, Sr?;
10.Het middel van cassatie
nietloopt wanneer deze maatregel op de bedoelde wijze voorwaardelijk is geëindigd. Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder ten aanzien van art. 77s, zevende lid onder c
oud, thans achtste lid, Sr.