Conclusie
Zitting: 26 mei 2016
[verzoekster],(hierna: [verzoekster]),
onderdeel 1is ’s hofs oordeel in rov. 3.4.4 dat [verzoekster] zich niet heeft gehouden aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieplicht en van deze gedraging haar een zodanig ernstig verwijt kan worden gemaakt dat dit reeds voldoende grond oplevert voor tussentijdse beëindiging, onjuist danwel ontoereikend gemotiveerd omdat:
onderdeel 2mist [verzoekster] belang, aangezien de door het hof bekrachtigde tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling zelfstandig wordt gedragen door het tevergeefs door onderdeel 1 bestreden oordeel dat [verzoekster] is tekortgeschoten in de nakoming van de sollicitatieverplichting (art. 288 lid 1 aanhef Pro en onder c Fw).