AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling voorwaardelijk opzet bij poging tot doodslag met messteek door steekwerend vest heen
Op 7 mei 2013 stak verdachte met een mes meerdere keren in de buikstreek van het slachtoffer, die een steekwerend vest droeg. Het mes doorboorde het vest en veroorzaakte verwondingen, maar het slachtoffer overleefde. Het hof stelde vast dat verdachte met kracht had gestoken en daardoor voorwaardelijk opzet op de dood had, omdat het steken in de buikstreek een aanmerkelijke kans op de dood oplevert.
De verdediging voerde aan dat het ontbreken van een levensbedreigende verwonding en de onbekendheid over de doorboringskracht van het vest tot vrijspraak moesten leiden. De Hoge Raad oordeelde echter dat het feit dat het slachtoffer een steekwerend vest droeg niet afdoet aan het bestaan van voorwaardelijk opzet, omdat het hof het steken met kracht had vastgesteld en het vest niet alle vitale lichaamsdelen beschermt.
De Hoge Raad benadrukte dat de beoordeling van de aanmerkelijke kans op de dood bij poging tot doodslag objectief moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. De subjectieve inschatting van de verdachte over het vest is niet doorslaggevend. Ook werd gewezen op vergelijkingen met het Engelse en Duitse recht, waarbij strafbaarheid van poging ook kan rusten op een onjuiste voorstelling van zaken bij de verdachte.
De conclusie is dat verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer en deze kans heeft aanvaard, ondanks het feit dat het slachtoffer door het vest werd beschermd. Het beroep van verdachte werd verworpen en de veroordeling voor poging tot doodslag bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het met kracht steken in de buikstreek door een steekwerend vest heen voorwaardelijk opzet op de dood inhoudt en verwierp het verweer tot vrijspraak.
Voetnoten
1.HR 6 februari 1951, NJ 1951/475, m.nt. B.V.A.R. Kritisch daarover N. Keijzer in zijn noot bij HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6742, NJ 2013/112 onder 5. 2.R. v Woollin (Stephen Leslie), House of Lords, 22 July 1998; David Ormerod, Smith and Hogan’s Criminal Law, 2011 (13e druk), p. 404, 405 zoals ook door Keijzer genoemd in de annotatie bij NJ 2013/112.
3.Kristian Kühl, Strafrecht Allgemeiner Teil, Verlag Franz Vahlen München 2008, p. 438.
4.Kühl, t.a.p.
5.§ 263 Betrug.
6.BGH 17 oktober 1996, 4 StR 389/96, NStZ 1997, 431
7.Zo ook Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 45, aant. 2.6.1 (suppl. 166, mei 2015).
8.HR 24 oktober 1978, NJ 1979/52, m.nt. ThWvV (Cito-arrest).
9.J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer Deventer 2015, zesde druk, p. 390 e.v., Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 45, aant. 2.6.1 (suppl. 166, mei 2015). Dupont/Verstraeten, Handboek Belgisch Strafrecht, 1990, p. 304-305 schrijft dat de subjectieve en objectieve richting met elkaar verzoend moeten worden: Tegen de subjectieve leer kan worden ingebracht dat de wet een begin van uitvoering van het misdrijf – en niet van het voornemen – vereist en de objectieve leer kan worden tegengeworpen dat zij onvoldoende aandacht besteedt aan het concrete voornemen van de dader; de gevaarlijkheid van een daad kan immers niet los van het voornemen van de dader beoordeeld worden.
10.J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer Deventer 2015, zesde druk, p. 395.
11.Zie ook mijn ambtgenoot Machielse in Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 45, aant. 2.6.1 (suppl. 166, mei 2015): “Overigens merk ik, dit terzijde, op dat in de gevallen waarin de uiterlijke verschijningsvorm doorslaggevend is voor het aannemen van een begin van uitvoering er spanning ontstaat met de leer van de Hoge Raad over het voorwaardelijk opzet, meer bepaald over het vraagstuk van de invulling van de aanmerkelijke kans. De Hoge Raad geeft er blijk van dit begrip objectief te willen invullen. Als achteraf blijkt dat de kans objectief gezien niet aanmerkelijk is geweest, omdat bijvoorbeeld degene die men dood wilde schieten door schoten af te vuren door een raam, een veilig heenkomen had gezocht in een kamer aan de andere kant van de woning, zal volgens de Hoge Raad niet aan de eisen van het voorwaardelijk opzet zijn voldaan. Desalniettemin is er wel een begin van uitvoering. Hoe deze twee uitkomsten met elkaar te verenigen zijn is nog niet duidelijk.”
12.NJ 2013/112, m.nt. N. Keijzer.
13.NJ 2013/111, m.nt. N. Keijzer onder NJ 2013/112.
14.Noot bij NJ 2013/112, onder 6.
15.HR 1 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8686; zie tevens de conclusie van AG Machielse onder 3.9: “Voor het bestaan van voorwaardelijk opzet is niet nodig dat vaststaat dat de kans op het ongewenste gevolg aanmerkelijk is geweest, als verdachte maar heeft beseft dat er een aanmerkelijke kans bestond en die kans bewust heeft aanvaard. Gaat men van het andere standpunt uit dan zou het bestaan van voorwaardelijk opzet worden bepaald door gegevens die aan verdachte verborgen blijven en die pas naderhand blijken. Als in de onderhavige zaak verdachte bewust op de deur heeft geschoten, denkend dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] zich achter die deur bevond en door de kogel dodelijk zou kunnen worden getroffen, maar dat risico voor lief nemend, is er voorwaardelijk opzet ook als naderhand zou blijken dat [slachtoffer] zich tijdens het schot al van de deur had verwijderd.” (ECLI:NL:PHR:2009:BJ8686).